BIBIS-minister Albert Ramdin betreurt de wijze waarop de Franse regering gedraald heeft om de nodige medewerking aan Surinaamse autoriteiten te verlenen bij de zoekactie de afgelopen dagen naar de 8-jarige Imarcio Afie. Hoewel het kind afgelopen maandag levend is teruggevonden, is er donderdag een bespreking met de Fransen gepland om goede afspraken te maken voor de toekomst. Want indien zoiets weer zou gebeuren, zou er volgens Ramdin wel een verstoring in de samenwerking tussen de twee landen kunnen ontstaan.
“Helaas is de ambassadeur niet aanwezig, dus we gaan met de chef de poste moeten praten. Wij willen ook weten waarom het zo lang duurt bij de besluitvorming aan hun kant. Want wij hebben vanaf het eerste moment alles gedaan wat noodzakelijk was in termen van het vragen van toestemming”, zei de bewindsman woensdag voor aanvang van de Raad van Ministers (RvM)-vergadering.
Volgens de minister ging dit om een zaak met humanitaire overwegingen, waardoor hij toch wel de nodige voortvarendheid van de Franse autoriteiten had verwacht. Deze ervaring heeft een nare gevoel bij hem overgelaten, maar hij is wel blij dat de 8-jarige inmiddels terug is gevonden.
Hoewel Ramdin op dat moment uitlandig was, stelt hij via Whatsapp-berichten in contact te zijn geweest met de Franse ambassadeur en gevraagd te hebben dat de Franse autoriteiten haast maken. Er zijn tot drie keer toe zelfs diplomatieke nota’s gestuurd. De eerste keer was toen de minister van Justitie en Politie hem informeerde over de situatie met nog de mededeling dat de politie en het leger stand-by waren om mee te helpen bij de zoekacties.
Frans-Guyana liet toen als reactie weten dat zij nog aan het wachten waren op een antwoord vanuit Parijs. De bewindsman was toen bereid om zelf het initiatief te nemen en naar Parijs te bellen, maar kreeg de mededeling dat hij toch op de besluitvorming moest wachten.
Uiteindelijk stuurde Ramdin weer een een WhatsApp-bericht naar de Franse ambassadeur die zich in Parijs bevond. “Er waren toen vragen over welk verdrag of overeenkomst er zou gelden. We hebben onmiddellijk binnen een paar uren gezegd dat het de overeenkomst is van 2006 over samenwerking in het grensgebied. Ik kan niet zeggen dat ze geweigerd hebben, maar ze hebben ook geen toestemming gegeven. En ze hebben zeker geen toestemming op tijd gegeven. Ik respecteer de nationale territoriale soevereiniteit van Frankrijk. En daarom konden wij ook niet verder. Wij zouden het ook niet prettig vinden, maar ik weet zeker dat wij sneller zouden reageren en handelen”, aldus de minister.


