Suriname heeft er lang op gewacht. Al vanaf vóór de onafhankelijkheid werd voor de kust, destijds door maatschappijen als Shell, naar aardolie gezocht. Steeds zonder succes. Gisteren kwam de langverwachte uitroep: EUREKA! "We hebben het gevonden", liet het Amerikaanse Apache Corporation de internationale gemeenschap weten. Nationaal lieten ze het aan president Bouterse over om dat te doen.
Waar de Afobakadam op 1 januari niet in staat was hem uit zijn bed te krijgen voor een persconferentie, slaagde het zwarte goud daar wel in. Tijdens de inderhaast georganiseerde persbriefing in het Perscentrum van de regering rende het staatshoofd nog net geen rondje in zijn blootje, zoals de Griekse geleerde en wiskundige Archimedes deed toen hij had ontdekt hoe een schip op het water kan blijven drijven.
De afgelopen jaren heb ik aan iedereen die het maar wilde horen gezegd dat ik van ganser harte hoop dat er snel en veel, verschrikkelijk veel, olie voor de kust wordt gevonden. Zo veel dat, al zouden corrupte regeringen of beleidsmakers - zij het van nu of in de toekomst - nog zoveel van de olieopbrengsten stelen of verbrassen, er meer dan genoeg geld overblijft om de ontwikkeling van het land te financieren en een deel weg te zetten voor komende generaties.
Ik ben daarom enorm blij met deze eerste grote olievondst die zeer waarschijnlijk niet de laatste is. Een vreugdedans à la Archimedes zal ik echter niet doen; ik blijf met beide benen op de grond. Het nieuws moet ook nog goed bezinken. Na lange tijd haalde Suriname de internationale pers niet met cocaïnevangsten of een strafvonnis wegens meervoudige moord van zijn president, maar met positief nieuws.
Het voelde goed aan, hoewel een journalist van MarketWatch die kennelijk te lui was om uit te zoeken waar Suriname ligt ons ergens in Afrika positioneerde. Maar ach, met het feestgevoel nemen we dat op de koop toe. Nu kan ik ook mee bluffen met mijn vrienden en collega's in Guyana. "We're rich, filthy rich". Althans op papier, als statistiek van het bbp per hoofd van de bevolking.
Ik kreeg van collega Denis Chabrol uit Guyana de oprechte felicitaties met de olievondst. Helaas delen we hetzelfde sentiment als het op de besteding van de toekomstige inkomsten aankomt. De inkomsten zijn broodnodig voor de twee landen, zei Denis. "We need it with the right politicians... Wished we could just drill and find the right politician with the best quality. All of them are a pack of vultures", besloot hij zijn felicitatie in mineur.
Min of meer dezelfde teneur was te merken in de commentaren van politici en politieke partijen van de oppositie, maar ook van gewone burgers. Er schijnt in grote kringen een diep wantrouwen te zijn tegen de huidige regeerders. Zij worden niet bij machte geacht op een behoorlijke manier de olie-inkomsten te beheren en ten bate van de nationale ontwikkeling uit te geven. Het zouden alleen maar corrupte zakkenvullers zijn.
Aan de andere kant roept Abop, nog voordat een cent van de oliedollars in staatskas is gevloeid om cash-uitkeringen aan burgers te verstrekken uit een op te zetten Suriname Olie Welvaartsfonds. Dit soort populistische uitspraken voorspellen niet veel goeds voor de toekomst.Â
Daar het nog minstens vier tot vijf jaar zal duren voordat de olie voor de kust in productie wordt gebracht en betalingen aan Suriname zullen worden gedaan, hoop ik dat deze ontwikkeling daadwerkelijk als een nationale zaak zal worden aangepakt en relevante segmenten van de samenleving zullen worden betrokken bij the way forward.
Niet voor de show, maar om daadwerkelijk gebruik te maken van gepresenteerde inzichten. Tot slot ere wie ere toekomt: couppleger Desi Bouterse die op 13 december 1980 Staatsolie liet oprichten om het aardoliepotentieel van de republiek Suriname tot ontwikkeling te brengen. En niet te vergeten Eddy Jharap die de zaak letterlijk en figuurlijk uit de modder van Saramacca heeft opgebouwd.