De juridische strijd rond de leiding van de Telecommunicatie Autoriteit Suriname (TAS) is met de uitspraak van kantonrechter Robert Praag nog niet voorbij. Hoewel de rechter maandag de Raad van Commissarissen (RvC) in het gelijk heeft gesteld en Wendy Jap-A-Joe heeft verboden nog als directeur op te treden, blijft een wezenlijke vraag onbeantwoord: is de arbeidsovereenkomst die zij in 2021 met de TAS sloot rechtsgeldig? Die kwestie moet in een bodemprocedure definitief worden beoordeeld. Tot die tijd is de overeenkomst buiten werking gesteld.

Uit het schriftelijke vonnis in de twee gevoegde kortgedingen blijkt dat de rechter vooral gewicht heeft toegekend aan de Wet Telecommunicatievoorzieningen. Die wet regelt niet alleen de benoemingstermijn van de directeur, maar ook wie het bestuur moet overnemen wanneer de directeursfunctie vacant raakt. Daarnaast bevat de wet voorschriften voor het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden van de directeur.

De zaak legt daarmee een fundamenteel spanningsveld bloot tussen een presidentiële benoeming voor een wettelijk bepaalde termijn en een arbeidsovereenkomst waarin een dienstverband voor onbepaalde tijd en verstrekkende financiële voorzieningen zijn opgenomen. Jap-A-Joe werd bij presidentiële resolutie van 1 september 2021 benoemd tot directeur van de TAS, met ingang van 20 oktober 2021. De benoeming gold voor vijf jaar en verstreek op 19 oktober 2026. Volgens de rechter kon zij vanaf 20 oktober geen aanspraak meer maken op de bestuursbevoegdheden die aan het directeurschap verbonden zijn.

Jap-A-Joe bestreed dat standpunt. Zij beriep zich op een arbeidsovereenkomst van 1 november 2021, ondertekend door haarzelf en de toenmalige president-commissaris Harish Monorath, die inmiddels minister van Justitie en Veiligheid is. In artikel 1 van die overeenkomst staat dat de directeur haar functie en bevoegdheden blijft uitoefenen zolang niet overeenkomstig de Wet Telecommunicatievoorzieningen rechtsgeldig anders is beslist. Volgens Jap-A-Joe betekende dit dat zij moest aanblijven zolang geen nieuwe directeur was benoemd.

De rechter volgt die uitleg niet. Artikel 4 van de wet voorziet namelijk al in de continuïteit van het bestuur. Bij ontstentenis van de directeur neemt een aangewezen onderdirecteur het bestuur waar. Wanneer ook een onderdirecteur ontbreekt, berust het bestuur voorlopig bij de RvC.
Er ontstaat volgens de rechter dus geen bestuurlijk vacuüm wanneer de benoemingstermijn van een directeur afloopt. De contractuele bepaling waarop Jap-A-Joe zich beroept, kan de wettelijke regeling niet opzijzetten.

De rol van de minister bij arbeidsvoorwaarden
Een tweede belangrijk onderdeel van het vonnis betreft de vraag hoe de arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Artikel 4 van de Wet Telecommunicatievoorzieningen bepaalt dat de arbeidsvoorwaarden van de directeur worden vastgesteld door de bevoegde minister, nadat de RvC is gehoord en de Raad van Ministers goedkeuring heeft verleend.

De arbeidsovereenkomst van Jap-A-Joe is echter ondertekend door de toenmalige president-commissaris Monorath. Volgens het vonnis is niet gebleken dat de daarin opgenomen arbeidsvoorwaarden overeenkomstig de voorgeschreven wettelijke procedure door de minister zijn vastgesteld. Dat is een zwaarwegend punt in de beoordeling van de rechter. De RvC heeft zich erop beroepen dat de overeenkomst niet volgens de wettelijke voorschriften tot stand is gekomen. Jap-A-Joe stelt daartegenover dat haar contractuele rechten niet zonder meer verdwijnen doordat haar vijfjarige benoemingstermijn is verstreken.

De rechter heeft in kort geding niet definitief vastgesteld welke arbeidsrechtelijke aanspraken uit de overeenkomst kunnen voortvloeien. Wel acht hij het voorlopig gerechtvaardigd de overeenkomst buiten werking te stellen totdat de bodemrechter over de rechtsgeldigheid heeft beslist. Daarmee is de vraag of Jap-A-Joe nog financiële rechten aan het contract kan ontlenen niet definitief beantwoord. Het kortgedingvonnis gaat in de eerste plaats over de bestuursbevoegdheden en de noodzaak de TAS bestuurbaar te houden.

Een overeenkomst met verstrekkende gevolgen
De betwiste arbeidsovereenkomst bevat bepalingen die verder gaan dan een gebruikelijke regeling voor een tijdelijke bestuursfunctie. Het document vermeldt een bruto maandsalaris van USD 4.000, exclusief premies en toelagen, en voorziet daarnaast in diverse vergoedingen en voorzieningen.

Bij beëindiging van de overeenkomst door TAS, anders dan wegens plichtsverzuim, geldt volgens de tekst een opzegtermijn van ten minste 24 maanden. Onder de in het contract omschreven voorwaarden is bovendien uitbetaling van 36 maanden salaris met emolumenten opgenomen. Deze bepalingen maken de vraag naar de rechtsgeldigheid van het contract financieel bijzonder relevant. Als dergelijke verplichtingen rechtsgeldig zijn aangegaan, kunnen zij aanzienlijke gevolgen hebben voor de instelling. Of en in hoeverre Jap-A-Joe daarop daadwerkelijk aanspraak kan maken, staat nog niet vast.

Tijdens de behandeling betwistte TAS-advocaat Gerold Sewcharan ook de datering van het document. Hij stelde dat de overeenkomst mogelijk later is opgesteld dan de vermelde datum van 1 november 2021. Die beschuldiging is niet door de rechter vastgesteld. Het vonnis bevat geen definitief oordeel over mogelijke antedatering.

Zes commissarissen betrokken bij vordering
Jap-A-Joe had haar vordering niet alleen tegen de Staat Suriname gericht, maar ook tegen zes leden van de Raad van Commissarissen. Het gaat om Emanuel Scheek, Indira Lioan, Steven Rodriguez, John-Ferynand Martodikirono, Rhenius Revales en Orpheo La-Main. Samantha Gadjradj, echtgenote van minister Harish Monorath en eveneens verbonden aan de RvC, is niet als gedaagde in deze zaak betrokken.

De rechter maakt in het vonnis bovendien een juridisch onderscheid tussen de RvC als bestuursorgaan en de individuele commissarissen. De individuele leden kunnen volgens zijn beoordeling niet zonder meer worden vereenzelvigd met de Staat of de TAS. De tegen hen ingestelde vordering strandt mede op dit punt. Het is daarom juridisch nauwkeuriger om te spreken van een vordering tegen de Staat en zes individuele commissarissen dan van een uitspraak waarbij alle leden van de RvC persoonlijk als één partij zijn veroordeeld of in het gelijk gesteld.

Rechter grijpt in om bestuur TAS veilig te stellen
De TAS stelde op haar beurt dat Jap-A-Joe na het verstrijken van haar benoemingstermijn bleef optreden als directeur en de overdracht van werkzaamheden weigerde. Daardoor dreigde volgens de instelling de bestuurlijke continuïteit in gevaar te komen. De rechter heeft die situatie zwaar laten wegen. Hij oordeelde dat de TAS een spoedeisend belang had bij maatregelen om te voorkomen dat Jap-A-Joe nog bestuursbeslissingen zou nemen of de overdracht zou belemmeren.

Jap-A-Joe mag daarom geen handelingen meer namens de TAS verrichten. Iedere overtreding kan haar een dwangsom van SRD 10.000 kosten, tot een maximum van SRD 1 miljoen. Ook mag zij het TAS-gebouw aan de Flustraat niet meer betreden. Zij moet het gebouw, als zij zich daar bevindt, samen met haar beveiligers binnen 24 uur na de uitspraak verlaten. De RvC mag zo nodig de hulp van de sterke arm inroepen.

Daarnaast moet zij binnen 24 uur alle relevante dossiers, correspondentie, financiële informatie, bankgegevens, wachtwoorden, sleutels, toegangsmiddelen en andere bedrijfsmiddelen overdragen. Bij weigering geldt een dwangsom van SRD 5.000 per uur, eveneens tot een maximum van SRD 1 miljoen. De rechter heeft Jap-A-Joe ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten in beide kortgedingen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. De maatregelen kunnen dus worden uitgevoerd, ook wanneer een rechtsmiddel tegen de uitspraak wordt ingesteld.

Bestuursstrijd voorlopig beslecht, contractgeschil blijft bestaan
De uitspraak heeft voor de feitelijke leiding van de TAS onmiddellijke gevolgen. Jap-A-Joe kan zich niet langer op haar arbeidsovereenkomst beroepen om bestuursbevoegdheden uit te oefenen. De RvC kan het bestuur voorlopig waarnemen overeenkomstig de wettelijke regeling.

Maar de rechter heeft niet alle juridische vragen opgelost. De arbeidsovereenkomst is buiten werking gesteld in afwachting van een bodemprocedure, waarin de rechtsgeldigheid en eventuele daaruit voortvloeiende rechten uitgebreider kunnen worden onderzocht. Daarbij zal vooral de vraag centraal staan of de arbeidsvoorwaarden volgens de wettelijke procedure zijn vastgesteld en welke betekenis moet worden toegekend aan de overeenkomst die Monorath destijds namens de TAS ondertekende.

De kortgedingrechter heeft een voorlopig einde gemaakt aan de strijd om de bestuursmacht. De juridische en financiële gevolgen van het contract uit 2021 moeten nog worden uitgevochten.