In SJB 2026, nr. 2, heeft mr. Kintamanie Ramdhan (de annotator) een lezenswaardige noot geschreven bij het arrest van het CCJ inzake Derek Anand Ramsamooj v. State of Suriname (CCJ-nr. TTOJ2024/001). De annotator merkt op dat deze zaak ongetwijfeld behoort tot de belangrijkste supranationale rechtsstatelijke arresten voor de Surinaamse rechtspraktijk. Het Hof oordeelde dat Suriname, door de wijze waarop de zogenoemde ‘beperkingsmaatregel’ werd toegepast, fundamentele rechtswaarborgen heeft geschonden die besloten liggen in het Revised Treaty of Chaguaramas (RTC). Daarbij kende het CCJ aan Ramsamooj een schadevergoeding toe van USD 30.000.

Het ging in casu om de langdurige detentie van de Trinidadiaanse politieke consultant Ramsamooj, die door de regering-Bouterse-Adhin was ingehuurd om politieke en verkiezingstechnische adviezen uit te brengen. Gedurende een aanzienlijke periode werd hem op grond van artikel 40 Sv het contact met zijn advocaat en familie ontzegd. Laatstgenoemd artikel bevat in beginsel een waarborg voor een eerlijk proces (fair trial).

Lid 1 bepaalt dat de raadsman vrije toegang heeft tot de verdachte die van zijn vrijheid is beroofd en dat vertrouwelijke communicatie tussen advocaat en verdachte mogelijk moet zijn. Tegelijkertijd bevat het artikel uitzonderingsmogelijkheden. Op grond van lid 2 kan tijdens het voorbereidend onderzoek het contact tussen de verdachte en zijn raadsman worden beperkt indien sprake is van omstandigheden die het onderzoek kunnen schaden of de waarheidsvinding kunnen belemmeren.

De annotator merkt op dat de combinatie van de ruime bevoegdheden van het vervolgingsapparaat en de relatief beperkte institutionele waarborgen in deze zaak het constitutionele kernprobleem vormde. Volgens de annotator blijkt uit het arrest dat het CCJ bijzonder gewicht toekende aan het ontbreken van voldoende waarborgen voor de verdachte tijdens de onderzoeksfase. De cumulatie van beperkingen conflicteerde volgens het CCJ met de minimale supranationale waarborgen voor een eerlijk proces die volgens het RTC binnen de CARICOM-rechtsorde gelden. De achterliggende gedachte is dat binnen de CARICOM-rechtsorde minimale rechtsstatelijke en mensenrechtelijke standaarden gelden.

Ramdhan wijst erop dat het arrest laat zien dat het CCJ economische integratie en vrij verkeer in samenhang beschouwt met fundamentele rechtsbescherming binnen de CARICOM-rechtsorde. Volgens het arrest zouden de verdragsvrijheden inzake vrij verkeer en dienstverlening hun praktische effectiviteit verliezen indien CARICOM-onderdanen tijdens strafrechtelijke procedures niet verzekerd zouden zijn van minimale en effectieve rechtsbescherming. De annotator benadrukt dat het CCJ niet heeft geoordeeld dat iedere beperking van rechtsbijstand per definitie ontoelaatbaar is. Volgens hem lijkt het Hof veeleer aansluiting te zoeken bij een proportionaliteits- en waarborgbenadering, zoals die ook in de Europese jurisprudentie op dit gebied wordt gehanteerd.

Deze benadering houdt in dat de nadelige gevolgen van een besluit voor een burger niet onevenredig zwaar mogen zijn in verhouding tot het beoogde doel. In het concrete geval ging het om het bewijs van een vermeende frauduleuze handeling, waarvan de bestrijding het algemeen belang dient, tegenover de beperkingen die aan de verdachte werden opgelegd. (CJ).

Ramdhan stelt dat de kern van het arrest niet lijkt te zijn dat artikel 40 Sv als zodanig categorisch onverbindend is verklaard. Het is naar zijn mening beter om te stellen dat de concrete toepassing van artikel 40 Sv in deze zaak onvoldoende institutionele en procedurele waarborgen bood tegen de disproportionele en langdurige beperking van de rechtsbijstand. De annotator verwijst in dit verband naar artikel 137 van de Grondwet, waarin is bepaald dat de rechter in een concreet geval een wetsbepaling ongeoorloofd mag verklaren en deze daardoor buiten toepassing kan laten indien zij in strijd is met grondrechten.

Volgens Ramdhan ligt de diepere rechtsstatelijke betekenis van het arrest hierin dat het CCJ het CARICOM-recht niet louter beschouwt als een economisch integratieregime, maar als een autonome supranationale rechtsorde waarin fundamentele rechtsstatelijke minimumnormen medebepalend zijn voor de effectieve werking van de verdragsvrijheden.

Slot (CJ)
De veroordeling van de Staat Suriname tot betaling van een schadevergoeding aan Ramsamooj betekent naar mijn mening dat het CCJ van oordeel is dat de wijze waarop laatstgenoemde tijdens zijn detentie is bejegend, in strijd was met de proportionaliteits- en waarborgbenadering en daarmee ook met het CARICOM-verdrag en andere mensenrechtenverdragen.

Het CCJ tast echter niet de bevoegdheid van de Staat Suriname aan om de strafzaak tegen Ramsamooj voort te zetten, mits de Staat beschikt over bewijs van strafbaar gedrag dat volledig onafhankelijk is van en niet is beïnvloed door de onrechtmatige detentie of het ontnemen van procedurele waarborgen. In dat geval behoudt de Staat Suriname het recht om een strafrechtelijke procedure in te stellen, met inachtneming van de nationale wetgeving en constitutionele regelingen, op voorwaarde dat deze procedure niet anderszins in strijd is met het RTC.

Voor zover mij bekend, heeft de Staat Suriname de strafzaak tegen Ramsamooj on hold gesteld en moet dus worden afgewacht of deze al dan niet wordt voortgezet.
Carlo Jadnanansing