keurt vier Haagse kinderbeschermingsverdragen goed met 30 stemmen

De goedkeuring van vier Haagse kinderbeschermingsverdragen betekent dat Suriname zijn instellingen en wetgeving moet voorbereiden op nieuwe internationale verplichtingen. Tijdens de behandeling in De Nationale Assemblée (DNA) uitten parlementariërs ernstige zorgen over de capaciteit van het Bureau voor Familierechtelijke Zaken (BUFAZ), de financiering en de noodzakelijke voorzieningen om kinderen daadwerkelijk te beschermen. De verdragen werden met 30 algemene stemmen aangenomen, nadat de ABOP-fractie de vergadering eerder uit protest rond de perikelen bij de Telecommunicatie Autoriteit Suriname had verlaten.

Met de goedkeuring heeft DNA ingestemd met de wettelijke basis voor toetreding tot het Haagse Kinderontvoeringsverdrag van 1980, het Adoptieverdrag van 1993, het Kinderbeschermingsverdrag van 1996 en het Alimentatieverdrag van 2007. De vier verdragen regelen internationale samenwerking wanneer kinderen en ouders te maken krijgen met familierechtelijke kwesties die zich over landsgrenzen uitstrekken. Het gaat onder meer om de terugkeer van kinderen die ongeoorloofd naar een ander land zijn meegenomen, de bescherming bij internationale adoptie, beslissingen over ouderlijk gezag en de inning van alimentatie wanneer een ouder in het buitenland woont.

De ontwerpwet was al in 2023 ingediend. Een onderzoek dat in 2022 in opdracht van het ministerie van Justitie en Politie en met betrokkenheid van Unicef werd uitgevoerd, adviseerde Suriname tot alle vier de verdragen toe te treden. Minister Harish Monorath van Justitie en Veiligheid is ingenomen mee dat deze verdragen eindelijk zijn goedgekeurd. Er is volgens hem veel werk aan de winkel maar de goedkeuring was nodig om verdere stappen te ondernemen en fondsen ervoor te krijgen.

Zorgen over uitvoeringscapaciteit
Hoewel de verdragen op brede steun konden rekenen, draaide een groot deel van de beraadslagingen om de vraag of Suriname voldoende is voorbereid op de uitvoering ervan. Commissievoorzitter Jennifer Vreedzaam (NDP) benadrukte dat toetreding een belangrijke stap is voor de bescherming van kinderen, maar wilde van de regering weten in hoeverre de aanbevelingen uit het onderzoeksrapport van 2022 inmiddels zijn uitgevoerd.

Vooral de positie van het BUFAZ kwam aan de orde. Het bureau wordt genoemd als mogelijke centrale autoriteit voor de uitvoering van de verdragen. Verschillende assembleeleden vroegen zich echter af of BUFAZ daarvoor over voldoende personeel, deskundigheid en financiële middelen beschikt. Tijdens het debat werd erop gewezen dat het bureau al moeite heeft met de uitvoering van bestaande taken. Ook werd aandacht gevraagd voor de internationale afdeling die eerder was ingesteld, maar niet meer functioneert.

Hakiem Lal Mohamed (VHP) pleitte voor een concreet implementatieplan, waarin wordt vastgelegd welke instantie verantwoordelijk wordt voor de uitvoering, welke wetsaanpassingen noodzakelijk zijn en hoeveel geld daarvoor beschikbaar moet worden gesteld. Volgens hem moet worden voorkomen dat ouders en kinderen van de ene instantie naar de andere worden verwezen zonder daadwerkelijk hulp te krijgen.

Internationale adoptie en kinderontvoering
De bescherming van kinderen bij internationale adoptie vormde eveneens een belangrijk discussiepunt. Assembleeleden vroegen aandacht voor de risico's van misbruik, kinderhandel en ongeoorloofde financiële voordelen bij adoptieprocedures. De regering werd gevraagd duidelijk te maken wie toezicht zal houden op adopties naar het buitenland en hoe wordt gegarandeerd dat kinderen in een veilige omgeving terechtkomen. Ook de aansluiting van de verdragen op Surinaamse culturele gebruiken, waaronder kweekje, werd aan de orde gesteld.

Bij het Kinderontvoeringsverdrag wezen leden op de noodzaak van snelle procedures en goede samenwerking tussen de Surinaamse autoriteiten en buitenlandse instanties. Daarbij werd de vraag gesteld of de rechterlijke macht voldoende capaciteit heeft om dergelijke zaken binnen de vereiste termijnen te behandelen.

Alimentatie en rechtsbijstand
Het Alimentatieverdrag moet het gemakkelijker maken om onderhoudsgelden te innen wanneer een ouder in het buitenland woont. Assembleeleden wezen erop dat de inning van alimentatie in Suriname nu al problemen oplevert, vooral wanneer een onderhoudsplichtige geen vast dienstverband heeft.

Ook werd gevraagd wie de kosten zal dragen van rechtsbijstand, DNA-onderzoek en gerechtelijke procedures wanneer het vaderschap moet worden vastgesteld. De regering kreeg daarnaast vragen over de aansluiting van de verdragen op het nieuwe Burgerlijk Wetboek en over mogelijke voorbehouden bij bepaalde verdragsbepalingen.

Kinderbescherming mag niet op papier blijven
Tijdens de behandeling werd herhaaldelijk benadrukt dat de goedkeuring van internationale verdragen op zichzelf onvoldoende is om kinderen daadwerkelijk te beschermen. Assembleelid Ronny Asabina (BEP) wees op de situatie van leerlingen in Brokopondo die volgens hem geen onderwijs kunnen volgen. Hij stelde dat ook de nationale voorzieningen voor kinderbescherming en onderwijs moeten worden versterkt. Verder werd aandacht gevraagd voor het functioneren van het Kinderombudsinstituut Suriname en de aanpak van kinderarbeid, huiselijk geweld en seksueel misbruik.

Met de goedkeuring van de vier verdragen heeft DNA een belangrijke juridische stap gezet. De regering staat nu voor de opgave de noodzakelijke instellingen, procedures en financiële voorzieningen in gereedheid te brengen, zodat de internationale afspraken ook in de praktijk bescherming bieden aan kinderen en gezinnen.

De ABOP-fractie, die eerder de vergadering uit protest had verlaten, was niet aanwezig bij de stemming. De ontwerpwet werd door de aanwezige leden met 30 algemene stemmen aangenomen.