B.N. is veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, voor bedreiging, mishandeling en overtreding van een beschermingsbevel. Omdat hij de nieuwe strafbare feiten pleegde terwijl hij nog in zijn proeftijd zat, moet hij ook een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van acht maanden alsnog uitzitten.

De verdachte ontkende tegenover de rechter dat hij zijn broer en zijn tante, in de zaak aangeduid als zijn “chotki”, had bedreigd. Ook ontkende hij een buurtbewoner te hebben mishandeld en het tegen hem uitgevaardigde beschermingsbevel te hebben overtreden. De rechter achtte de feiten echter bewezen.

Voor de nieuwe feiten kreeg B.N. achttien maanden cel, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Zijn gevangenhouding werd gehandhaafd.

Tijdens de behandeling van de zaak verklaarde B.N. dat hij geen drugs of alcohol gebruikt. Hij zei dat hij naar huis wil en daarna niet meer in de buurt zal wonen waar de incidenten zich hebben voorgedaan.

Volgens B.N. gaat hij naar zijn moeder omdat zij alleen woont en hulpbehoevend is. Hij stelde dat zijn moeder hem regelmatig roept om haar te helpen. Wanneer hij daar komt, zou zijn tante hem volgens zijn verklaring uitschelden.

B.N. ontkende dat hij de buurman van zijn moeder heeft mishandeld. Hij bestreed dat hij de man naar diens erf heeft getrokken en hem vervolgens met een stok heeft geslagen, waardoor deze letsel opliep.

Wel gaf hij toe dat hij vaak met een stok rondloopt. Hij ontkende echter dat hij daarmee de buurt terroriseerde of een gevoel van onveiligheid veroorzaakte. Ook weersprak hij dat hij buurtbewoners en familieleden stelselmatig uitscheldt.

Volgens het Openbaar Ministerie kwam uit het buurtonderzoek een ander beeld naar voren. Daaruit zou zijn gebleken dat B.N. de buurman van zijn moeder met de dood heeft bedreigd en daarbij zou hebben gezegd dat hij de man in stukken zou kappen.

Toen de buurman geen aandacht aan hem schonk en rustig doorliep, zou B.N. hem hebben achtervolgd, naar diens erf hebben getrokken en met een stok hebben geslagen. B.N. erkende dat hij de buurman had bedreigd, maar stelde dat dit kwam doordat de man zijn moeder zou hebben uitgescholden. Dat hij daarna met een houwer op de man zou zijn afgestapt, ontkende hij.

Ook weersprak hij dat hij agressief is. Verder ontkende hij via WhatsApp bedreigende berichten naar zijn tante te hebben gestuurd.

Beschermingsbevel
Een belangrijk onderdeel van de zaak was het beschermingsbevel dat de tante van B.N. had aangevraagd en verkregen. Volgens het Openbaar Ministerie was het bevel rechtsgeldig aan de verdachte betekend. Daardoor wist hij dat hij zijn familieleden niet mocht bedreigen of uitschelden en hun bewegingsvrijheid niet mocht belemmeren.

Volgens de officier van justitie heeft B.N. zich desondanks opnieuw naar de betreffende woning begeven en daar voor problemen gezorgd. De officier stelde dat sprake was van een terugkerend patroon van bedreigingen en beledigingen tegenover familieleden. Het beschermingsbevel was juist bedoeld om hen tegen dergelijk gedrag te beschermen.

Ook de verklaring van de moeder van B.N. werd door het Openbaar Ministerie als bewijs aangehaald. Zij zou tegenover de politie hebben verklaard dat zij had gezien hoe haar zoon de buurman naar het erf trok en hem vervolgens met een stok op het lichaam sloeg.

De officier van justitie achtte de ten laste gelegde feiten bewezen en eiste achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en voortzetting van de gevangenhouding.

Eerdere veroordeling
Bij de strafeis hield het Openbaar Ministerie nadrukkelijk rekening met een eerdere veroordeling van B.N. Op 20 december 2024 was hij al veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

B.N. bevond zich ten tijde van de nieuwe feiten nog binnen die proeftijd. Volgens het Openbaar Ministerie had de eerdere voorwaardelijke straf hem er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarom vorderde de officier ook de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde acht maanden gevangenisstraf.

In zijn laatste woord vroeg B.N. de rechter om hem nog een kans te geven. De rechter wees erop dat hem bij zijn eerdere veroordeling al een kans was geboden. Hoewel de officier van justitie destijds twaalf maanden geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf had geëist, legde de rechter hem in december 2024 een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op.

Volgens de rechter heeft B.N. die kans niet benut en is hij er kennelijk niet in geslaagd zijn gedrag te veranderen. Het opnieuw plegen van strafbare feiten tijdens de proeftijd woog daarbij zwaar.

De rechter veroordeelde B.N. uiteindelijk conform de strafeis tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Zijn gevangenhouding werd gehandhaafd. Daarnaast werd het eerder voorwaardelijk opgelegde strafdeel van acht maanden alsnog ten uitvoer gelegd.

Van de nieuwe straf moet B.N. twaalf maanden daadwerkelijk uitzitten. Met de acht maanden uit zijn eerdere veroordeling komt dat neer op in totaal twintig maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De nieuwe voorwaardelijke straf van zes maanden hoeft hij niet uit te zitten zolang hij zich gedurende de proeftijd aan de opgelegde voorwaarden houdt.