BEP-fractieleider Ronny Asabina wil dat de regering de bestaande overeenkomsten met de grote goudbedrijven grondig tegen het licht houdt. Suriname moet volgens hem veel scherper nagaan hoeveel belasting daadwerkelijk binnenkomt, welke fiscale voordelen uit de overeenkomsten voortvloeien en of winsten via internationale bedrijfsconstructies naar het buitenland worden verschoven. Ook vindt hij dat de Staat als aandeelhouder veel nadrukkelijker toezicht moet houden op de financiële resultaten van de goudbedrijven.

Asabina deed de oproep tijdens de behandeling van de Algemene Wet Belastingen in De Nationale Assemblee. Hij plaatste zijn opmerkingen in het bredere kader van de hervorming van het belastingstelsel en de noodzaak om belastingontwijking en -ontduiking effectiever aan te pakken. De BEP-fractieleider vindt dat daarbij niet alleen naar individuele belastingplichtigen en lokale ondernemers moet worden gekeken. Ook de fiscale afspraken die Suriname in het verleden met multinationals heeft gemaakt, moeten volgens hem worden geëvalueerd.

Asabina waarschuwde dat internationale ondernemingen gebruik kunnen maken van complexe bedrijfs- en boekhoudkundige constructies waarbij winsten naar het buitenland worden verschoven. Hij stelde dat onvoldoende duidelijk is hoeveel belastinginkomsten Suriname hierdoor mogelijk misloopt. "We hebben geen flauw benul hoeveel we kwijtraken", stelde hij. Hij riep de regering daarom op de bestaande overeenkomsten met de goudbedrijven aan een "diepgaande evaluatie" te onderwerpen.

Controle op belastingafdracht
Asabina vroeg specifiek aandacht voor de fiscale bepalingen die bij de totstandkoming van overeenkomsten in de goudsector zijn geïntroduceerd. Hij verwees naar belasting die moet worden ingehouden op betalingen aan buitenlandse bedrijven die diensten verlenen aan de goudmaatschappijen.

De fractieleider wil van de regering weten of daadwerkelijk wordt gecontroleerd of de verschuldigde bedragen worden ingehouden en aan de Staat worden afgedragen. Ook wil hij duidelijkheid over de verhouding tussen dergelijke bijzondere fiscale regelingen en de Algemene Wet Belastingen die nu in behandeling is.

Volgens Asabina moeten multinationals niet automatisch "met fluwelen handschoenen" worden behandeld. Het aantrekken en behouden van buitenlandse investeerders is volgens hem belangrijk, maar mag niet betekenen dat onvoldoende controle plaatsvindt op hun fiscale verplichtingen.

Staat moet zich als aandeelhouder gedragen
De BEP-fractieleider plaatste ook vraagtekens bij de wijze waarop de Staat zijn positie als aandeelhouder in de goudsector uitoefent. Hij verwees daarbij naar Newmont Suriname en stelde dat Suriname als aandeelhouder niet uitsluitend kennis moet nemen van de informatie die door het bedrijf wordt gepubliceerd.

Volgens hem moet de Staat de jaarstukken en financiële resultaten grondig analyseren en inzicht hebben in onder meer inkomsten, uitgaven, investeringen en de uiteindelijke winst van de onderneming. "Als ik aandeelhouder ben, dan ga ik niet daar zitten om alleen te luisteren", stelde Asabina. Hij wil weten in welke mate deskundigen namens de Staat de jaarverslagen van de multinationals daadwerkelijk doorlichten.

Hij wees daarbij ook op grote investeringsbedragen die door goudmaatschappijen worden aangekondigd. Volgens hem moet de Staat in staat zijn dergelijke investeringen te controleren, omdat investeringskosten uiteindelijk invloed kunnen hebben op de financiële resultaten en daarmee op wat Suriname uit zijn deelname ontvangt.

Opbrengsten moeten zichtbaar zijn
Asabina koppelde de discussie tevens aan de voordelen die gemeenschappen in de mijnbouwgebieden uit de goudsector moeten halen. Hij verwees naar het ontwikkelingsfonds voor de Saramaccaanse gemeenschap en de middelen die daaruit beschikbaar zijn gekomen. Volgens hem laat dit zien dat goede afspraken rond natuurlijke hulpbronnen tastbare voordelen voor gemeenschappen kunnen opleveren. Hij noemde onder meer middelen voor onderwijs in Brokopondo.

Asabina vindt dat de aangekondigde hervorming van het belastingstelsel daarom een geschikt moment is om ook bestaande fiscale afspraken met de mijnbouwmultinationals opnieuw te beoordelen. De regering moet volgens hem kunnen aantonen dat Suriname daadwerkelijk ontvangt waarop het volgens de overeenkomsten en belastingwetgeving, recht heeft.