PARAMARIBO — Na een ontmoeting met bisschop Karel Choennie en praeses Runaldo Gallant van het Comité Christelijke Kerken (CCK) heeft minister Albert Ramdin van Buitenlandse Zaken, International Business en Internationale Samenwerking (Bibis) afgesproken om de consultaties met alle belangengroepen verder voort te zetten over de Samoa-overeenkomst. Eind december vorig jaar hadden diverse religieuze organisaties gebundeld in het CCK en de Interreligieuze Raad in Suriname (Iris) president Chandrikapersad Santokhi schriftelijk gevraagd om het Samoa-verdrag in te trekken.
In de brief werd aangegeven dat het CCK en de Iris het wenselijk vinden dat bij grote moreel-ethische kwesties de regering in overleg treedt met maatschappelijke groeperingen en de religieuze organisaties in het land. Ambassadeur Gilbert van Lierop tekende op 15 november het verdrag namens Suriname. “Wij dringen bij de regering van Suriname erop aan de ondertekening van deze overeenkomst door onze vertegenwoordiger bij de EU in te trekken en deze overeenkomst eerst grondig te bestuderen of laten bestuderen, onder andere door De Nationale Assemblee, alvorens nadere stappen hierover worden overwogen”, schreven het CCK en de Iris aan het staatshoofd.
“Suriname zal, als soevereine staat, bij de uitvoering zelf invulling geven aan de overeenkomst, gebaseerd op eigen inzichten en culturele normen en waarden”
Bibis-minister Albert Ramdin
Ramdin hoorde op 9 februari de bezwaren van de religieuze organisaties tegen de Samoa-overeenkomst aan. Een zorgpunt is onder meer de perceptie dat Europese sociale waarden en normen worden opgelegd aan de ontwikkelingslanden. Daarop stelde Ramdin dat Suriname, als soevereine staat, bij de uitvoering zelf invulling zal geven aan de overeenkomst, gebaseerd op eigen inzichten en culturele normen en waarden.
Hij maakte duidelijk dat de overeenkomst tot stand is gekomen na jarenlange onderhandelingen, waarbij de al internationaal geadopteerde teksten in bestaande internationale overeenkomsten als leidraad werden gebruikt. Tevens benadrukte de minister dat de overeenkomst in de kern geen mensenrechtenverdrag is, maar een partnerschapsovereenkomst met een brede scala aan samenwerkingsgebieden, onder meer milieu, klimaat, ontwikkeling, investeringen, handel en veiligheid.