DE VORIGE REGERING heeft veel instituten van de overheid uitgehold. Er kwamen taskforces die op ministeries moesten zorgen dat de realisatie van beleidspunten sneller tot stand kwam. Enkele van de huidige coalitieleden, die toen in de oppositie zaten en nu zelfs regeerverantwoordelijkheid hebben, hadden daar toen terecht tegen geprotesteerd. Taskforces die niet in de bestuurlijke orde van het land zijn opgenomen, kunnen vaak geen beroep doen op een budget en op dat punt werd het gelijk complex.
Nu heeft deze regering allerlei commissies ingesteld. Voor elk probleem wordt een commissie bedacht. Die hebben kennelijk een hiërarchie die voor buitenstaanders onduidelijk is. Er zijn commissies, ministeriële commissies, ministeriële en presidentiële werkgroepen en interministeriële commissies en tegenwoordig ook platformen. En nergens is er een voor de burger toegankelijke lijst van werkgroepen die kunnen worden geconsulteerd.
Wat deze regering nu nog erger doet dan de vorige regering is centralisatie. Alles wordt min of meer vanuit het kabinet van de president bepaald
Een wandeling door het ‘doolhof’: Harold Pultoo is geestelijk adviseur op het kabinet van de president. Hij gaf ook leiding aan de werkgroep voor mensen met een beperking. Hij heeft, zei hij zelf, overgedragen aan iemand anders en leidt nu de presidentiële werkgroep ‘Wijken in ontwikkeling Paramaribo’. Die gaat huis aan huis in bepaalde wijken en stimuleert zelfredzaamheid onder de bewoners.
Het tegengestelde van zo een werkgroep zijn de officiële structuren die al ingebed zijn in het bestuurlijke systeem. Er zijn districts- en ressortraadleden die bij wet taken hebben en ook worden betaald. Ze zijn landelijk ingesteld, moeten hoorzittingen houden en van hen wordt verwacht dat zij werken aan een districtsplan om te worden ingediend bij het ministerie van Regionale Ontwikkeling en Sport. Die plannen zouden moeten worden gefinancierd uit de opbrengsten van de districten. Daarnaast kunnen ministers bij het opstellen van hun begroting ook putten uit plannen van de districten. Zie daar decentralisatie in theorie.
Wat deze regering nu nog erger doet dan de vorige regering is centralisatie. Alles wordt min of meer vanuit het kabinet van de president bepaald. Daar wordt bepaald welke werkgroepen waar worden ingezet, wat hun vergoeding per beschikking wordt en welke van hun projecten worden gefinancierd. Dat komt kennelijk uit het budget van het kabinet van de president en de minister van Financiën en Planning uit respectievelijk Armoedebestrijding en Bureau Gemeenschapsprojecten.
Vooral bij de laatste geldt: wie een project kan schrijven, komt mogelijk in aanmerking voor geld. Dat is geen gelijkheid. Terwijl de ambtelijke structuren weliswaar wat omslachtig, maar wel gelijkheid voor iedereen – binnenland en stad, ruraal en urbaan – in zich gebed hebben.
Het is een raadsel waarom achtereenvolgende regering er niet voor hebben gekozen om bestaande structuren te versterken en effectief te maken. Daar zou het hele land mee worden geholpen én dat is de garantie om ervoor te zorgen dat politieke belangen en propaganda niet worden gemixt met het werk van al die vage werkgroepen. Maar misschien is dat juist wel de bedoeling?