‘Wat ik vond was onthutsend’

Oral historicus Yvette Kopijn is tijdens een presentatie ingegaan op haar promotieonderzoek over Surinaams-Javaanse vrouwen. Ze gebruikte het levensverhaal van Satijem Mertosentiko als orale bron.-.
Shoeket logo

Bron: De Ware Tijd

9 Februari 2024 18:31

Voor mij lezen

Zoektocht naar Satijem Martosentiko toont noodzaak vastlegging orale bronnen

Tekst en beeld Audry Wajwakana

Kopijn was enkele weken in Suriname om de laatste passages van haar proefschrift te schrijven. “Heel ongewoon voor mij om begin 2024 een ticket naar Suriname te boeken. Ik voelde dat ik juist nu de verbinding met Javaanse vrouwen, de voormoeders, van wie ik ook deel van ben, alleen vanuit Indonesië moest maken om hun zegen te mogen ontvangen dat ik het proefschrift naar buiten mag brengen”, zegt ze in gesprek met de Ware Tijd.

“Ik kies expliciet voor vrouwen, omdat hen tot nu toe nooit is gevraagd hoe hun leven was en hoe ze het koloniale verleden hebben beleefd”

Kort vóór terugkeer naar Nederland hield ze in de Universiteitsbibliotheek een presentatie, waar ze alvast een inkijkje gaf in haar onderzoek. Dat deed ze vooral als teken van respect naar de Surinaams-Javaanse gemeenschap.

Verpaupering en dwang

Rond haar dertigste begon Kopijn zich vragen te stellen over haar afkomst. Ze wist meer over de geschiedenis van de Nederlandse, maar niets over de Indische kant van haar familie. “In Nederland weten veel mensen niet dat er tussen 1890 en 1939 rond 33.000 Javanen naar Suriname werden gebracht en dat er inmiddels twintig tot dertigduizend Surinaamse Javanen in Nederland wonen”, zegt ze.

Vanwege die onbekendheid besloot ze onderzoek te doen naar de Surinaamse Javanen vanuit het gezichtspunt van de vrouwen. “Simpelweg, omdat eerder hun verhalen niet goed genoeg werden bevonden om te worden vastgelegd”, verklaart ze.

In haar onderzoek kwam ze erachter dat de Javaanse contractmigratie naar Suriname omvangrijk was vanuit plantages in Deli en Noord-Sumatra. Het systeem van gebonden arbeid was van meet af aan ingegeven door Nederland om zoveel mogelijk winst te maken tegen zo laag mogelijke kosten.

De werving van personeel voor de plantages in Deli en Noord-Sumatra en voor verscheping naar Suriname waren in handen van wervingskantoren die werden beheerd door de Nederlandse handelmaatschappijen, waarvan de toenmalige Nederlandse koning Willem I groot aandeelhouder was.

De wervingskantoren lieten het werven van mensen over aan de Javaanse ‘onderwervers’, die toesloegen op drukke plekken, vaak een markt of stations. Zij benaderden personen die hun dessa (dorp) om wat voor reden dan ook al hadden verlaten.

Tussen 1830 en 1850 bestond op Java het stelsel dat de lokale bevolking een vijfde van haar landbouwopbrengst voor de Europese markt moest afstaan, zonder betaling daarvoor te ontvangen. Dit systeem leidde tot een verpauperde Javaanse bevolking en mensen zwierven rond zonder vaste verblijfplaats op zoek naar werk. “Als individu was zo iemand heel kwetsbaar om door een ‘onderwerver’ te worden ‘bewerkt’, aangezien deze vaak niet terugdeinsde om geweld en intimidatie te gebruiken”, vertelt Kopijn.

Veel Surinaamse Javanen kennen de verhalen van ontvoering, betovering of drogeren. Vaak werden de mensen gedwongen om een verklaring af te leggen dat hun keus om naar Suriname te gaan uit vrije wil was gemaakt. Kopijn vond in schriftelijke bronnen dat politici en koloniale ambtenaren protesteerden tegen deze wanpraktijken.

(Orale) bronnen

Voor haar onderzoek zocht ze ook de mondelinge bronnen, waarbij ze levensverhalen van drie generaties – grootmoeders, moeders en dochters van tien Surinaams-Javaanse families woonachtig in Nederland – verzamelde. “Het is één ding om te weten hoe vrouwelijke contractarbeiders werden behandeld, maar een ander ding is om te weten hoe zij dat zelf hebben ervaren.”

Eén van de vrouwen die zij interviewde was Satijem Martosentiko, geboren rond 1903 in Banjoemas, Midden-Java. Haar vader wilde haar als vijftienjarige uithuwelijken met een neef, maar ze weigerde. Op het eiland was ze op zoek naar werk. Ze werd geronseld door een werver voor plantage Deli. Toen haar contract was afgelopen, was terugkeer naar haar eigen dessa geen optie.

Ze meldde zich vrijwillig aan bij een wervingsdepot en werd naar een depot in Batavia overgebracht waar ze een medische keuring onderging. Daar werd haar ook het contract voorgelezen dat ze met een vingerafdruk óndertekende’. Martosentiko, intussen 21 jaar, vertrok op 1 oktober 1924 naar Suriname.

In geschreven bronnen staat vaak dat de omstandigheden op de schepen slecht waren, waarbij werd verwezen naar slechte hygiëne, uitbraak van ziektes en geen goed toezicht op seks tussen mannen en vrouwen. In schriftelijke bronnen is vermeld dat seksueel overdraagbare ziektes op de schepen heel hoog was. Echter, Martosentiko vertelt aan de onderzoeker het tegendeel. Mannen en vrouwen sliepen gescheiden. Gezinnen mochten bij elkaar blijven. Het eten vond ze goed.

Kort vóór vertrek had een medecontractant haar ten huwelijk gevraagd. Ze had ingestemd, maar de huwelijksvoltrekking kon pas na voltooiing van de contractperiode plaatsvinden. Gedurende deze periode wilde ze liever alleenstaand zijn. “Het kan zijn dat ze dat alles zei om mij gerust te stellen”, zegt Kopijn.

Plantage Zoelen/Weg naar Zee

Martosentiko kwam op plantage Zoelen terecht waar ze als alleenstaande een kamer kreeg toegewezen in plaats van een barak. Schriftelijke bronnen vermelden dat er op de plantages een tekort was aan vrouwen. Dit bracht hen in een uiterst precaire situatie. Net als in het depot en op het schip lag het gevaar van seksueel misbruik ook op de plantage voortdurend op de loer. Niet alleen vanuit de kant van de planter of opzichters, maar ook vanuit de kant van de Javaanse mannen. Zij vochten om vrouwen of zetten hun eigen vrouw in bij het dobbelden. Toch waren niet alle vrouwen overgeleverd aan de grillen van mannen.

Het tekort aan vrouwen gaf volgens Kopijn, de (Javaanse) vrouw ook een zeldzaamheid (zeggenschap krijgen over haar eigen lichaam), die ze kon inzetten naar eigen voordeel en wat haar in staat stelde om een andere partner te kiezen, zodra ze een economisch interessante man ontmoette.

Het stereotype beeld van vermeende losbandigheid van de Javaanse vrouw ontkracht Martosentiko door te stellen dat ze tijdens haar contractperiode nergens ging. Het was voor haar vijf jaar van zes uur ’s morgens tot vier uur ’s middags in de suikerrietvelden werken. Na het werk bleef ze liever thuis.

Na haar contract koos ze niet voor terugkeer, maar bleef in Suriname in ruil voor een kostgrond te Weg naar Zee en een premie van honderd gulden. De man die haar ten huwelijk had gevraagd, keerde terug naar Java en zij trouwde met een ander. Samen stichtten ze een gezin. Zij verkocht op de markt landbouwproducten en in haar eigen omgeving snacks en naaide tegen betaling kledingstukken totdat ze een maand vóór de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 gehoor gaf aan de oproep van de politici Somohardjo en Dasiman om naar Nederland te vertrekken. Ze beloofden de ouderen een onbezorgde oude dag daar. Haar kinderen waren eerder één voor één naar Nederland vertrokken.

Martosentiko werd in het seminarie Sint Michielsgestel opgevangen. In 1988 werd allernaast het seminarie een bejaardenoord gebouwd, waar Kopijn haar heeft geïnterviewd. Martosentiko werd 92 jaar oud.

“Het is altijd een persoon die de bron opschrijft. De ene is niet betrouwbaarder dan de andere”

‘Betrouwbaarheid’

Kopijn hoopt met de lezing inzicht te hebben gegeven wat het oplevert als mensen vanuit het perspectief van vrouwen naar de geschiedenis kijken, in dit geval van de Surinaams-Javaanse vrouwen. ”Ik kies expliciet voor vrouwen, omdat hen tot nu toe nooit is gevraagd hoe hun leven was, en hoe ze het koloniale verleden hebben beleefd. Wat hebben ze gedaan om te kunnen overleven? Wat betekent thuis voor jou? Dat soort vragen stel ik in mijn proefschrift. Het wordt tijd dat we die leemte invullen.”

Voor Kopijn zijn mondelinge bronnen net zo betrouwbaar of onbetrouwbaar als geschreven bronnen, omdat achter een bron altijd een mens zit. “Het is altijd een persoon die de bron opschrijft. De ene is niet betrouwbaarder dan de andere. Ik ga ook niet beweren dat de verhalen die Surinaams-Javaanse vrouwen zelf vertellen meer waard zijn dan wat er tot nu toe in de geschreven bronnen is te vinden. Maar het geeft wel een ander perspectief.”

Het gaat bij haar vooral om het uitwisselen van de verhalen of er verbinding plaatsvindt tussen de generaties, het ‘zwijgen’ van een stukje geschiedenis doorbroken wordt en heling kan plaatsvinden. Immers, het Nederlands-Indische koloniaal verleden ging niet over rozen. De gevolgen daarvan werken volgens haar tot heden door.

Bekijkt origineel bericht ⇒

Meer actueel