“Het was een slecht weekend voor ons gebouwd erfgoed. Iemand stuurde mij een bericht dat er brand woedde aan de Domineestraat. Ik dacht direct aan het rijtje monumentale panden en dacht dat tot aan Kersten het rijtje was afgebrand. En toen zag ik de beelden van het huis van Jan Ernst Matzeliger aan de Domineestraat 30 en het kantoor van Interfund en dacht ik ‘oh hemel’. Dat doet pijn!” zegt Stephen Fokké, de directeur van Stichting Gebouwd Erfgoed Suriname (SGES), tegen de Ware Tijd naar aanleiding van de brand die op 15 januari drie panden in de as legde.
Tekst Kevin Headley
Beeld SGES/Terence Oosterwolde
Hij vertelt dat de stichting in gesprek was met de eigenaren om het huis van Matzeliger te renoveren. “Hij is de uitvinder van de schoenzwikmachine en we zagen het als eerbetoon aan hem om zijn woning te restaureren.” En over Interfund: “De heer Ed Hoogenboom onderhield zijn pand goed. Sari tori.”
Een dag eerder, 14 januari, kreeg de SGES al een klap te verwerken. Een auto reed in op het historische pand aan de Heerenstraat, waarin het kantoor van stichting The Back Lot is gevestigd. De materiële schade is enorm.
Volgens Fokké is dit “het zoveelste geval van een aanrijding waarbij erfgoed beschadigd is geraakt”. Ter illustratie noemt hij de muur van de begraafplaats Oranjetuin, de stoep van het voormalige gebouw van het ministerie van Financiën aan het Onafhankelijkheidsplein, die drie keer is aangereden. “Het laatste geval vond plaats nauwelijks nadat de stoep was opgeleverd, na een eerdere aanrijding die ze had beschadigd. Al worden verkeersmaatregelen getroffen, als je dronken achter het stuur bent en je rijdt meer dan negentig, vlieg je over alles en door alles.”

Situatie gebouwd erfgoed
Veertien jaar geleden was het triest gesteld met het gebouwd erfgoed van Suriname zegt Fokké. “Op een gegeven moment waren restauraties van monumentale panden van de overheid die door het ministerie van Openbare Werken waren gefinancierd stopgezet. Architecten en aannemers kregen geen geld meer. Een voorbeeld hiervan is het monumentale gebouw naast de Congreshal dat in restauratie was. Het Paramaribo Urban Rehabilitation Program (Purp) is feitelijk de redding geweest van het gebouwd erfgoed van de overheid.”
In 2014 werden voorbereidingen getroffen voor dit programma. Drie jaar later werd de leningsovereenkomst voort twintig miljoen US dollar getekend tussen de regering en de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB) en het jaar daarop werd begonnen met uitvoeren van het Purp. Er zijn inmiddels enkele historische gebouwen gerestaureerd en herbouwd en er zijn nog meer restauraties in de planning. Zo zijn binnen het programma de door brand verwoeste gebouwen van De Nationale Assemblee op de kruising Henck Arronstraat/Grote Combéweg en het daarnaast staande voormalige ministerie van Algemene Zaken, herbouwd.
In de planning is Purp II, dat zal worden uitgevoerd met een lening van dertig miljoen Amerikaanse dollar. Dit programma is belangrijk, maar helaas een druppel op een gloeiende plaat. Er zullen nog altijd gebouwen buiten de boot vallen, omdat er geen financiering voor is.
Verantwoordelijkheid overheid
Fokké stelt dat eigenlijk Openbare Werken zou moeten inkomen, omdat de zorg voor staatsgebouwen, inclusief de monumentale panden, onder dit ministerie valt. Maar al jaren maken opeenvolgende regeringen geen geld vrij voor het herstel van monumentale panden van de overheid. “De staat heeft de verantwoordelijkheid om haar gebouwd erfgoed te onderhouden, omdat hij partij is bij de Werelderfgoedconventie. Daarmee verplicht jij je als land tot instandhouding, bescherming en onderhoud van die werelderfgoedplek”, stelt Fokké.
Hij vervolgt: “In artikel 47 van onze Grondwet is geregeld dat de staat zal zorgen voor het in stand houden van ons erfgoed. Er is niet alleen verplichting vanuit de Grondwet, de Monumentenwet, maar ook vanuit de Werelderfgoedconventie.”
Suriname heeft sinds 2002 een nieuwe Monumentenwet waarin het kader voor bescherming op nationaal niveau is geformuleerd, maar nog altijd zijn er geen financieringsfaciliteiten voor eigenaren van particuliere monumenten. Er zijn voor hen nog steeds geen incentives, zoals een monumentenfonds, speciale belastingfaciliteiten of goedkoop kapitaal in de vorm van schenkingen en zachte leningen. Eigenaren moeten uit eigen zak putten om panden te onderhouden en alleen de rijke eigenaren kunnen zich dat veroorloven.
Het Cultuurfonds van Nederland biedt de mogelijkheid om met behulp van financiële bijdragen het Surinaamse gebouwd erfgoed in stand te houden. Maar de hoofdverantwoordelijke blijft de staat Suriname, omdat het allereerst Surinaams erfgoed is , maar daarnaast al 22 jaar werelderfgoed.
Besef belang gebouwd erfgoed
Onderhoud is noodzakelijk om de historische binnenstad van Paramaribo te behouden. De openbare ruimte moet beter worden onderhouden en ingericht. “Als je alleen panden herstelt en je openbare ruimte staat er vervallen bij, heb je in feite weinig gedaan”, legt Fokké uit.
Het gaat volgens hem om een integrale aanpak: historische gebouwen die moeten worden opgeknapt, passende nieuwbouw, waar er een gat is geslagen door brand of sloop, openbare ruimten die moeten worden aangepakt, de verkeers- en de zwerversproblematiek. “Maar met Purp is er een wezenlijke aanzet gegeven om de historische binnenstad te verbeteren en weer tot leven te wekken. Want als dit programma er niet was, zag de binnenstad er veel erger uit.”
Bij een deel van de samenleving is het besef er wel hoe belangrijk het gebouwd erfgoed is. Een ander deel interesseert het gewoon niet. “Je hebt altijd mensen die vinden dat je de gebouwen in de binnenstad plat moet bulldozeren en er een moderne stad van moet maken. Maar de zogenaamde moderne gebouwen die in de binnenstad worden gezet, passen er niet erbij.”

Hij benadrukt: “Toeristen komen niet voor die gebouwen. Ze voegen geen extra waarde toe aan de bestaande cultuurhistorische waarde; ze zijn geen verrijking voor het historische stadsbeeld. Het is juist onze unieke historische architectuur die een erfgoed toeristische attractie vormt. Veelal moeten we van buiten horen hoe mooi onze binnenstad is.”
Volgens Fokké kan het besef hoe belangrijk het nationale erfgoed is het best aan de kleintjes worden meegeven. “Bij de oudere generatie, als je het niet in jezelf hebt, als je het niet zelf beseft, gaat het bijbrengen moeizaam. Je moet bij de jongere generatie beginnen, bij de basisschool. Zo is het bij mij begonnen. Ik zat op de Sint-Clemensschool en had juf Oliveira, die geschiedenis fantastisch kon vertellen.”
Gepassioneerd vervolgt hij: “Ik heb een groot inbeeldingsvermogen en ging, terwijl ze vertelde, terug in de tijd. En nog steeds, als ik bezig ben met archieven, zie ik als het ware alles voor mij. Ik ben veel met de archieven van de Joodse gemeenschap bezig geweest voor het nominatiedossier van Jodensavanne. Ik kon me gewoon terug verplaatsen in de tijd. Erfgoed is mijn passie, geschiedenis en archeologie, gewekt op de basisschool. Als kleine jongen hebben de vertellingen enorme impact op mij gemaakt.”
Het ‘veld’ ingaan
Fokké geeft aan dat de SGES goede relaties heeft met erfgoedinstellingen in Nederland, zoals de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Nederland. “Zo vertelde Rudi van Straten (gepensioneerd senior Klinkend Erfgoed Specialist) dat hij als kleine jongen op een historisch pijporgel mocht spelen. Het geluid dat eruit kwam, heeft zo’n grote impact op hem gemaakt dat hij klinkend erfgoedspecialist, orgeldeskundige, is geworden. En dat bedoel ik; dat je op de basisscholen de liefde voor erfgoed moet aanleren. Als dat eenmaal in het kind zit, is het voor de rest van zijn/haar leven.”
Fokké stelt dat geschiedenis niet alleen is het uit het hoofd leren van jaartallen en feiten. “Je moet kinderen naar het veld brengen. Als je het hebt over de plantagegeschiedenis, breng ze naar een voormalige plantage, zoals Frederiksdorp. Breng ze naar Fort Zeelandia als je vertelt over de militaire geschiedenis. Ze moeten de geschiedenis proeven en voelen. Dan zal je krijgen dat een hele generatie opgroeit met liefde voor erfgoed. En als je die liefde ervoor hebt, ga je ervoor willen zorgen en het willen onderhouden.”
Momenteel groeit er een hele jonge generatie Surinamers op die gewend is aan het verval in de binnenstad. Zij hebben de binnenstad niet in betere tijden gekend en het gevaar bestaat, dat het verval als normaal, dan wel als norm wordt gezien, waarschuwt Fokké.
Suriname heeft op de Werelderfgoedlijst van de Unesco drie plekken: het Centraal Suriname Natuurreservaat (2000), de historische binnenstad van Paramaribo (2002) en Jodensavanne (2023). Hiermee is het land op de wereldkaart geplaatst en staat het in de regio, na Cuba, op de tweede plaats wat het aantal Werelderfgoedplekken betreft. Een plaats op de Werelderfgoedlijst betekent op de eerste plaats internationale erkenning van het unieke erfgoed en op de tweede plaats opent het een aantal deuren voor financiering van instandhouding en bescherming ervan. Purp is destijds speciaal ontwikkeld omdat de oude binnenstad op de Werelderfgoedlijst staat. Dat Suriname partij is bij de Werelderfgoed Conventie brengt verplichtingen met zich mee. Het gevaar bestaat dat bij het niet naleven van de bepalingen of richtlijnen, of dat door bepaalde ontwikkelingen het unieke universele karakter van de werelderfgoedplekken wordt bedreigd, en ze op ‘gevaren lijst’ geplaatst of volledig van de lijst geschrapt kunnen worden. Dit zal enorm gezichtsverlies voor het land betekenen.