DE AFGELOPEN DAGEN heeft het gronduitgiftebeleid van de regering ruime aandacht gekregen in het publieke debat. Ook in het parlement. Daar leverde de oppositie felle kritiek op de grondaanvragen die zouden zijn bedoeld voor mennonieten die naar Suriname worden gehaald door Terra Invest Suriname & Guyana. Er is zelfs een bereidverklaring getekend door minister Dinotha Vorswijk van Grondbeleid en Bosbeheer, maar die is niet aan de aanvrager verstrekt.
Vicepresident Ronnie Brunswijk heeft in de kwestie rond de bereidverklaring aangegeven dat zaken volgens de correcte procedures zijn afgewikkeld. Hij gaf daarbij minutieus de vereisten, stappen en processen aan op basis waarvan uiteindelijk domeingrond kan worden toegewezen.
In het verdedigen van de handelingen van minister Vorswijk in dit specifieke geval produceerde de bewindsman een stapel gronduitgiften van de vorige regering. Het ging om grote lappen grond die op 15 juli 2020 zijn toegewezen, een dag voordat het bestuur van het land door president Desi Bouterse werd overgedragen aan zijn opvolger Chandrikapersad Santokhi. Hoewel geen enkele wet, regel of bepaling een regering verbiedt om zelfs op haar laatste zittingsdag handelingen te plegen, zoals uitgifte van domeingrond, neigen de meeste gronduitgiften die op de valreep door de regering-Bouterse zijn geformaliseerd naar onbehoorlijk bestuur.
In zijn ijver om minister Vorswijk te verdedigen en het potentieel onbehoorlijk handelen van de vorige regering aan de kaak te stellen, produceerde Brunswijk grondpapieren die erop duiden dat een areaal van 294 hectare op 15 juli 2020 is aangevraagd en ook dezelfde dag is verstrekt. Dit betekent dat in dit specifieke geval geen enkele wettelijke of ambtelijke procedure, zoals aanvragen van advies van Grondinspectie en de districtscommissaris, is gevolgd.
Echter, uit geen enkele mededeling van de vicepresident blijkt dat de regering deze gronduitgifte, onmiddellijk nadat zij hiervan op de hoogte was, heeft teruggedraaid. Dat is het enige behoorlijke dat de regering in dit specifieke geval behoorde te doen in plaats van dat de vicepresident met stukken in het parlement kwam zwaaien. Doet de regering dat niet, dan is haar onwil of onvermogen om te handelen minstens even erg als de zeer verfoeilijke uitgifte door de regering-Bouterse.