‘Fa wan koeli professor kan skrifi wan blakaman buku’
Tekst Audry Wajwakana
Beeld Audry Wajwakana/privécollectie
De in Nederland wonende gepensioneerde hoogleraar is zeventig jaar en heeft ‘spierwit grijs’ haar, maar als hij eenmaal begint te vertellen lijkt hij de jeugdige zelve. Zijn gezicht klaart op en de woorden komen als een waterval uit zijn mond als hij over zijn jeugd vertelt. Choenni is in Suriname voor de presentatie van zijn nieuwste boek ‘Geschiedenis van Afro-Surinamers: 1863-1963’ en voor (verder) onderzoek in verband met een boek dat hij schrijft over de Javanen in het land.
Hij wil het in 2026 in boekvorm uitbrengen. Daarmee zal hij dan de geschiedenis van de grootste drie bevolkingsgroepen van het land in kaart hebben gebracht. Hij hoopt nog binnen de komende vijf jaar een boek voor de middelbare school te schrijven over de hele Surinaamse geschiedenis. “Dat is mijn grote droom, want dan word ik 75 jaar. Of dat lukt weet ik niet, want je krijgt toch wel wat tegenwerking in Suriname”, zegt hij.
Jonge jaren
In zijn jonge jaren stond Choenni, met een enorm afro-kapsel, bekend als een wakaman. Daarover kan hij nog lachend doen. Een foto van die periode stuurde hij een dag vóór het interview met de Ware Tijd via WhatsApp met de tekst: ‘Jaren zeventig toen ik student was in Amsterdam en orga/portier/uitsmijter in het Bijlmerhuis’. “Ja, dat was vroeger de mode, maar ook om te laten zien de affiniteit die ik toen al had met Afro-Surinamers”, zegt de professor in het gesprek als nadere toelichting op zijn afro.
“Als Hindostaanse jongeman moest ik me dan al heel vroeg aanpassen aan de Afro-Surinaamse groep”
Choenni is geboren in Paramaribo in de multi-etnische volkswijk Abrabroki, waar hij met de overige vijf broers en zusters opgroeide, te midden van veel Afro-Surinamers. “Als Hindostaanse jongeman moest ik me dan al heel vroeg aanpassen aan de Afro-Surinaamse groep”, vertelt hij. Als jongeling zat hij op de Saronschool en stroomde vervolgens door naar de Froweinschool (mulo), waar hij één van de weinige Hindostanen in de overwegend Afro-Surinaamse omgeving was. “Ik was toen al een flinke jongen, vaak de beste van de klas.”
Vanuit zijn dynamische aanpak had hij altijd de leiding. “In Nederland was ik portier/uitsmijter, organiseerde feestjes en begeleidde jongens die aan de drugs waren in welzijns- en vrijwilligerswerk. Ik was bekend als een bigi dansiman en heb veel van die jongens leren dansen. Wat dat betreft ben ik een echte Surinamer.”
Van jongs af had hij belangstelling om observerend te kijken naar de overeenkomsten en verschillen tussen de twee grootste etnische groepen. In Nederland heeft hij vooral opgemerkt hoe Afro-Surinamers meer dan Hindostanen werden gediscrimineerd. “Bij mij zeiden de mensen dat ik geen echte Surinamer ben, want ik ben een beetje intelligent. Ik kom uit India, want daar zijn de mensen filosofisch. Dus echt van die vooroordelen dat Surinamers niet zo slim waren.”
Die beeldvorming van Nederlanders is volgens de professor gevormd, omdat de eerste Surinamers die naar Nederland gingen Afro-Surinamers waren. De lichtgekleurde Surinamers noemden zichzelf geen Surinamer. Onder de vele Afro’s die in de jaren zestig naar Nederland kwamen, waren veel verstekelingen. Een deel van de jongens kwam in de criminaliteit terecht en verpestten het imago van Surinamers.
Dit alles heeft ertoe geleid dat hij veel weet over de Afro-Surinaamse gemeenschap. In 2017 besloot hij onderzoek te doen naar haar geschiedenis. Hij had intussen al vijf boeken over de geschiedenis van de Hindostanen geschreven. “Ik kon nog verder onderzoek doen, maar toen stopte ik ermee, omdat ik merkte dat de geschiedenis van Afro-Surinamers nog niet was geschreven. Vroeger werden ze creolen, volkscreolen, creolen van de lagere klasse of blakasma genoemd. De definiëring van deze groep was toen nog niet duidelijk. De lichtgekleurde Surinamers, mulatten, waren ook creolen, maar als men met elkaar sprak dan bedoelde men vaak de donkergekleurde mensen en zij hadden het veel moeilijker dan de lichtgekleurde Surinamers.”
Zes jaar
In 2013 nam Choenni deel aan de diaspora-conferentie die was georganiseerd door de Anton de Kom Universiteit en merkte dat er veel onderzoek werd verricht naar de slavernijperiode. Hij riep collega-onderzoekers op om niet alleen onderzoek daarnaar te doen en daarover te publiceren, maar ook naar de periode na de afschaffing van de slavernij. Kernvragen waren ‘wat gebeurde er met de mensen die vrijkwamen en hun nakomelingen?’ en ‘hoe hebben zij zich verder ontwikkeld en zijn ze onderdeel geworden van de Surinaamse samenleving?’ “Toen ik zag dat niemand dat onderzoek wilde oppakken, besloot ik het zelf te doen.”
Hij heeft er met onderbrekingen zes jaar over gedaan. “Soms raakte ik gefrustreerd of was minder geïnspireerd. Dit is een heel gevoelig onderwerp en omdat ik van Hindostaanse afkomst ben, zeiden sommige mensen van ‘fa wan koeli professor kan skrifi wan blakaman buku. Den blakaman o puru law gi en’, want ik ga zoveel kritiek op mijn onderzoek krijgen’.”
Het tegendeel bleek waar. Zijn initiatief werd door Afro-Surinamers, onder wie een vrouwelijke collega van de universiteit, Henk Herrenberg en professor Humphrey Lamur toegejuicht. In 2017 ging Choenni met vervroegd pensioen om zich volledig aan het onderzoek en schrijven van het boek te wijden. “Vroeger leefden Afro-Surinamers en Hindostanen als familie bij elkaar”, herinnert hij zich.
De bekende Afro-Surinaamse toneelschrijver en dichter Eugène Drenthe (1926-2009), oprichter van Naks, was de pleegzoon van Choenni’s paternale grootvader Mahashay Soekdew Choenni op plantage Laarwijk in Commewijne, waar veel Hindostanen, Javanen en Afro-Surinamers in harmonie met elkaar leefden. “Na de geboorte van Drenthe werd zijn moeder ziek. De vader ontbrak in het gezin. Baby Drenthe werd door een Hindostaanse vrouw gezoogd. Mijn grootvader was een strenge man, maar hij was lief voor vrouwen en zwakkeren”, zegt Choenni. Een foto van Drenthe als volwassen man en grootvader Mahashay heeft de onderzoeker ook in het boek opgenomen.
Buurvrouw
Toen Choenni zes jaar was, pleegde zijn moeder suïcide. “De buurt, vooral de Afro-Surinaamse vrouwen, vond het heel erg voor mijn vader die ineens zes kinderen in zijn eentje moest opvoeden. Ze hadden veel compassie voor ons.”
Choenni kwam vooral onder de hoede van de Afro-Surinaamse buurvrouw Abee die als alleenstaande moeder haar eigen zes kinderen opvoedde. Ook van de leerkrachten op school kreeg hij veel liefde. “Het is met ons allemaal, de kinderen Choenni, uiteindelijk goed gekomen, want we zijn alle zes sterke volwassenen geworden en academisch geschoold.”
De auteur heeft het boek opgedragen aan de Afro-Surinamers, onder wie de leerkrachten en oud-buurvrouw Abee. Hij bood aan zijn oud-leerkracht van de Froweinschool, Lydia Kensenhuis, een exemplaar aan. “Ze was heel geëmotioneerd en trots dat één van haar leerlingen professor is geworden en de geschiedenis over ‘haar mensen’ heeft geschreven. Ze vond het bijzonder dat nog te mogen meemaken.”
‘Monumentale studie’
Het is een boekwerk geworden van bijna zevenhonderd pagina’s. In het onderzoek heeft Choenni gekeken hoe de Afro-Surinamer zich heeft ontwikkeld op drie gebieden: politiek, sociaal-economisch en cultureel. “Ik heb voor de periode 1863-1963 gekozen, omdat het honderd jaar heeft geduurd voordat de Afro-Surinamers politieke macht kregen. Johan Adolf Pengel werd minister-president en daarmee vond de politieke integratie plaats. Hij heeft ervoor gezorgd dat de Afro-Surinamers banen kregen in de ambtenarij. Hij schafte schoolgeld op de middelbare school af, waardoor ik en vele andere kinderen van arme gezinnen konden studeren.”
“Juf Kensenhuis was heel geëmotioneerd en trots dat één van haar leerlingen professor is geworden en de geschiedenis over ‘haar mensen’ heeft geschreven”
De auteur stelt vast dat de Afro-Surinaamse groep na de Tweede Wereldoorlog op politiek niveau succesvol is geïntegreerd. Dit was in mindere mate het geval op cultureel niveau waar men in 1963 nog niet volledig tot de mainstream was doorgedrongen. Op sociaal-economisch terrein bleef de Afro-Surinamer achter in ontwikkeling. Volgens Choenni formeerde zich weliswaar een middenklasse, maar de meerderheid bleef behoren tot de lagere en de onderklasse.
Deze succesvolle politieke en relatief succesvolle culturele integratie, gecombineerd met een minder succesvolle sociaal-economische verbintenis typeert hij als ‘Integratie Afro-Surinaamse stijl’. De auteur betoogt dat deze stijl gedurende de honderdjarige periode in grote mate het gevolg is geweest van de negatieve gevolgen van de slavernij in Suriname.
Hij analyseert en verklaart uitgebreid de doorwerking van de slavernij op de integratiestijl van Afro-Surinamers in de toenmalige Surinaamse samenleving. Toch heeft hij niet alle aspecten kunnen bestuderen en eindigt zijn studie dan ook met een oproep voor verder onderzoek, vooral vanuit de Afro-Surinaamse groep zelf. Lamur noemt in het voorwoord Choenni’s onderzoek “een monumentale studie”. Het boek geeft volgens hem inzicht in verschillende aspecten van de Afro-Surinaamse cultuur die tot nu nauwelijks diepgaand waren onderzocht.
Kader
Prof. dr. Chandersen E. S. Choenni studeerde Politicologie en Wetenschapsfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam. In 1995 promoveerde hij in de sociale wetenschappen en kwalificeerde zich ook als sociaal onderzoeker en historicus. Van 2010 tot 2016 was hij bijzonder hoogleraar Hindostaanse migratie op de Lalla Rookh Leerstoel aan de Vrije Universiteit van Amsterdam.
Daarvoor was hij beleidsambtenaar Integratiebeleid op verschillende ministeries. Hij publiceerde vijf boeken en verschillende artikelen over de geschiedenis van Hindostanen en andere bevolkingsgroepen van Suriname. Tevens publiceerde hij over etnische verhoudingen, racisme, integratiebeleid, burgerschap en is hij auteur van het boek ‘De Vedische Dharma’.
