WANNEER JE ALS land in ontwikkeling vooruitgang wil en er is een land net naast jou dat een enorme groei doormaakt, is het logisch dat er wordt gekeken naar partnerschappen met de ‘goede buur’. Dat is kennelijk ook de reden waarom president Chandrikapersad Santokhi en zijn regering flink hebben ingezet op het bouwen van een vaste oeververbinding over de Corantijnrivier met oliegigant Guyana.
Een heel mooi plan natuurlijk. De economische stimulans kunnen de districten Nickerie, Coronie en eventueel Saramacca heel goed gebruiken. Op toeristisch gebied alleen al zou veel meer mogelijk zijn met een vaste oeververbinding. Verder nog de dienstenindustrie en niet te vergeten de Port of Nickerie die allemaal voordeel zouden kunnen hebben aan de eventuele brug.
Lenen voor een brug die de komende tijd nog zou moeten bewijzen dat ze meer opbrengt dan ze kost voor het land, lijkt nu dus niet de juiste keuze
Helaas, nu is gebleken dat er geen bedrijven te vinden zijn die in public-private partnership met de regering van Suriname en Guyana de brug willen voorfinancieren om daarna hun geld terug te verdienen via exploitatie van die oeververbinding. Nu wordt dus gezegd dan Suriname geld zou ‘moeten’ lenen daarvoor.
Het probleem ligt in het woord ‘moeten’, want moet dat werkelijk nu? Kan het land het zich veroorloven om voor vijfhonderd miljoen US dollar te gaan lenen om de brug op te zetten? Dat was de beraming van een onafhankelijk onderzoek naar de kosten voor de bouw van de brug. ‘Moet’ ligt niet alleen in de vraag of het kan, maar ook of het nu een prioriteit ‘moet’ zijn.
Suriname is net een beetje op adem aan het komen na een levensgroot economisch dal waarvan het ravijn nog gevaarlijk dichtbij staat. Lenen voor een brug die de komende tijd nog zou moeten bewijzen dat ze meer opbrengt dan ze kost voor het land, lijkt nu dus niet de juiste keuze. Zeker niet wanneer een steeds groter wordende groep niet eens kan beschikken over schoon drinkwater, omdat er geen geld wordt vrijgemaakt voor de SWM om daarin te voorzien.
Daarnaast heeft Guyana wel door dat Suriname de brug veel harder nodig heeft. En wie zijn zwakke plek laat zien, mag weten dat daarvan gebruik zal worden gemaakt. Vandaar ook de aanhoudende eis voor de visvergunningen die volgens de Guyanezen aan hen zijn beloofd. Ook de onvoorwaardelijke steun aan Guyana in het grensgeschil met Venezuela, terwijl de zure ‘Tigri-appel’, maar niet kan worden geschild is veelzeggend.
‘Soms is niet krijgen wat je wil een zegen’ is een heel vaak gebruikt gezegde. Het kan best dat het (nog) niet opzetten van een vaste overvoering Suriname meer tijd geeft om op basis van gelijkwaardigheid de kwestie van de brug over een paar jaar weer uit de ijskast te halen. Intussen versterk het land zijn eigen instituten om het maximale te halen uit de olievoorraden die, als het goed is, in 2028 zullen zorgen voor de eigen groei. Dat levert een veel betere onderhandelingspositie dan die van underdog die Suriname nu inneemt.