Public-Private Partnership (PPP) was het toverwoord van deze regering om met geen eigen geld ambitieuze projecten uit te voeren. Terwijl er van alle kanten vraagtekens bij werden gezet, hielden de beleidsmakers voet bij stuk. Ook ten aanzien van de bouw van de brug over de Corantijnrivier – hét showproject van president Chandrikapersad Santokhi – zou dit vast en zeker gebeuren. Maar na drie jaar concludeert de regering dat dit toch geen haalbare kaart is. De PPP-mythe is genadeloos uiteengespat.
Tekst Armand Snijders
Beeld OW
Deze regering, met Santokhi en minister Riad Nurmohamed van Openbare Werken in de voorste linies, ziet al sinds haar aantreden PPP als dé manier om grootschalige bouwprojecten en andersoortige initiatieven uit te voeren, terwijl het land bijna geen rooie cent heeft. Door het zogeheten ‘Design-Build-Finance-Operate-Maintain’-model toe te passen, waarbij “het particuliere initiatief wordt gestimuleerd”, probeerde Nurmohamed het te verkopen. Op deze wijze zou de brug over de Corantijnrivier kunnen worden gebouwd zonder dat de staat daarvoor geld hoefde op te hoesten, hield hij de samenleving voor.
“China Road and Bridge Corporation en Ballast Nedam zien het niet zitten om zelf voor de voorfinanciering te moeten zorgen”
President Santokhi geloofde ook in een sprookje. En hij had haast. “Met de toekomstige oliewinning is het absoluut noodzakelijk dat we onze infrastructuur in orde maken”, zei hij eind 2020. Toen ging hij er nog vanuit dat de eerste olie voor de kust in dat jaar al naar boven zou worden gehaald. Dat wordt nu op zijn vroegst 2028.
Beproefde methode
PPP komt er in grote lijnen op neer dat bedrijven die worden geselecteerd om een bepaald project uit te voeren, zelf voor de financiering moeten zorgen. Dit geld kunnen ze later terugverdienen door bijvoorbeeld de exploitatie van het project dat ze zelf hebben gebouwd. Dat is misschien een beproefde methode in stabiele landen met een gezonde economie, maar dat gaat niet op voor bijvoorbeeld Suriname met een fragiele democratie, corrupt bestuur en bovenal wankele economie. Er hoeft maar iets (onvoorzien) te gebeuren wat de gesloten overeenkomsten tot toiletpapier zal maken, waardoor bedrijven het schip in gaan.
Ten aanzien van het project van een oeververbinding over de Corantijn, dat in samenwerking met buurland Guyana wordt uitgevoerd, erkende Santokhi vorige week dat het op de PPP-manier niet haalbaar is. China Road and Bridge Corporation en Ballast Nedam zijn de twee aannemers die een concreet voorstel hebben gedaan, maar ze zien het niet zitten om zelf voor de voorfinanciering te moeten zorgen. Zij vinden de risico’s veel te groot en dus onaanvaardbaar.
Tweede viool
Wat daarbij ook een rol speelt, is dat de brug weliswaar op papier een gezamenlijk project is, maar dat in Suriname grote ontevredenheid heerst over de wijze waarop de Guyanezen het voortouw nemen. Suriname heeft vrijwel geen enkele inspraak gehad bij het ontwerp en zelfs de locatie van de brug is door de Guyanezen bepaald, terwijl die wel over Surinaams grondgebied loopt.
Het land speelt bij de totstandkoming van het megaproject overduidelijk de tweede viool. Dat maakt de bouwers op voorhand achterdochtig omdat dit veel onzekerheden met zich meebrengt. Gevreesd wordt daardoor dat zij bij problemen tussen beide landen uiteindelijk naar hun geld kunnen fluiten.
De twee regeringen moeten nu gaan zoeken naar externe financiering om de brug te bouwen, zegt Santokhi. De geschatte bouwkosten bedragen zo’n 523 miljoen US dollar. Welk land nu welk deel van een lening voor zijn rekening zal nemen is vooralsnog totaal niet duidelijk, evenals dat onbekend is wie het beheer krijgt over de brug. Immers, de bouwers hebben daar geen zin in, want ze eisen direct boter bij de vis en niet betaling achteraf uit bijvoorbeeld de tolheffing.
Voortgang voorbereidende proces
Trouwens, de Guyanese minister van Openbare Werken, Juan Edghill, zei afgelopen week inhoudelijk niets over de financiering toen hij een update gaf over de voortgang van het voorbereidende proces van de 1,1 kilometer lange brug. En al helemaal niet over het mislukken van de PPP. Hij had het alleen over “de succesvolle afronding van het biedingsevaluatieproces” en dat “Guyana en Suriname gezamenlijk een besluit moeten nemen over de wijze van financiering”.
Het is niet het enige project dat niet volgens het door Nurmohamed beoogde PPP-principe van de grond komt. Over de drie andere bruggen die de regering bij haar aantreden had beloofd te bouwen (de 1,4 kilometer lange brug naar Frans-Guyana over de Marowijnerivier en twee extra bruggen over de Surinamerivier om de ‘Bosjebrug’ te ontlasten) hoort de samenleving in ieder geval niets meer.
Het heropstarten van de veerverbinding tussen Paramaribo en Meerzorg is schijnbaar ook in de ijskast beland. En voor het in het leven roepen van een soortgelijke verbinding tussen Paramaribo en Leonsberg waren geen ondernemers te vinden die dat zelf volledig wilden financieren.
De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat de regering zich heeft verkeken op de bereidheid van potentiële investeerders om projecten voor te financieren. En nu ze zou moeten overschakelen op plan B, blijkt dat er niet te zijn. Men zal in ieder geval ook geen beroep kunnen doen op de 150 buitenlandse investeerders die volgens Santokhi bij zijn aantreden stonden te popelen om hun geld in Suriname uit te geven of de diaspora die massaal zouden toestromen, want die kwamen niet.