INGEZONDEN
In Iwan Braves stuk getiteld ‘Het is toch gek dat vijf topjuristen een fout zien’ staat dat Laurens Neede de opvatting verkondigt dat de tenlastegelegde feiten in de strafzaak tegen Bouterse niet vallen onder mensenrechtenschendingen. Die opvatting is onjuist.
Feiten die door de Surinaamse strafrechter in het kader van het Surinaamse strafrecht als moord zijn gekwalificeerd, kunnen ook en tegelijkertijd in termen van het internationale mensenrechtenrecht als “ernstige schendingen van de mensenrechten” (serious human rights violations) worden aangemerkt.
Het is standaardrechtspraak van het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens (IAHRM), en let wel: Suriname is daaraan gebonden, dat onder meer marteling en buitengerechtelijke, standrechtelijke of willekeurige executies “ernstige schendingen van de mensenrechten” opleveren.
Zie onder meer IAHRM, Barrios Altos uitspraak 2001, par. 41; IAHRM, Moiwana uitspraak 2006, par. 206; IAHRM, La Cantuta uitspraak 2006, par. 152; IAHRM, The Dos Erres Massacre uitspraak 2009, par. 129; IAHRM, Gomes Lund uitspraak 2010, par. 171; IAHRM, Gelman uitspraak 2011, par. 225; en IAHRM, Vera Vera uitspraak 2011, par. 117.
De richtinggevende landmark case Barrios Altos ging over het bloedbad in de wijk Barrios Altos in Lima, Peru, in 1991, waarbij, net als bij de Decembermoorden, vijftien mensen werden gedood door leden van de nationale strijdkrachten. Als je alle genoemde IAHRM-zaken leest, met elkaar vergelijkt en op je laat inwerken – het is bepaald geen pretje, maar iedereen met een internetverbinding kan dat ook vanuit Suriname doen – dan is de conclusie onontkoombaar dat het ook bij de Decembermoorden gaat om ernstige schendingen van de mensenrechten. Het verrast daarom niet dat ook het Hof van Justitie in zijn strafvonnis van 20 december 2023 het begrip “ernstige mensenrechtenschendingen” aanhaalt.
Uit de genoemde vaste IAHRM-rechtspraak volgt verder dat bij deze ernstige schendingen van de mensenrechten het bewerkstelligen van straffeloosheid, in welke vorm dan ook, is verboden. Dat brengt onder meer mee dat in dat soort zaken amnestiewetten en verjaringsregels niet toegepast mogen worden.
Op grond van deze vaste IAHRM-rechtspraak heeft het Constitutioneel Hof in juli 2021 en augustus 2023 de Surinaamse Amnestiewetten dan ook terecht naar de prullenbak verwezen. En daarbij merkte het Constitutioneel Hof op dat de mensenrechtenverdragen onderdeel uitmaken van de Surinaamse constitutionele rechtsorde en voorrang hebben op het nationale recht.
Het ne bis in idem-beginsel is geschonden
Maar, zo merken de creatieve advocaten op, die uitspraken van het Constitutioneel Hof nemen niet weg dat de Amnestiewet tot aan die uitspraken wel degelijk heeft gegolden en in die periode ook is toegepast. Met als gevolg, zo suggereren zij, dat de strafvervolging nadien in strijd was met het ne bis in idem-beginsel. Op die grond stellen zij dat het strafvonnis van het Hof van Justitie van 20 december 2023 onrechtmatig is.
Centraal in het advocatenbetoog staat de beslissing van de Krijgsraad van 11 mei 2012. Die beslissing hield volgens hen een integrale toepassing van de Amnestiewet in en zou “rechtens finaal” zijn, met andere woorden in kracht van gewijsde zijn gegaan. En dat zou het nadien voortzetten van de vervolging alsook de berechting onrechtmatig hebben gemaakt.
Ook deze opvatting is onjuist, omdat het ne bis in idem-beginsel vereist dat het eerdere oordeel een onherroepelijke eindbeslissing behelst. Dit volgt rechtstreeks uit de Surinaamse strafwet (art. 94 Sr: “niemand kan andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de Surinaamse rechter onherroepelijk is beslist”.). Dit betekent een materiële einduitspraak is vereist, want pas dan is ook echt over het feit beslist (vgl. De Hullu, Materieel Strafrecht, 2021, p. 522-523).
De beslissing van 11 mei 2012 betrof echter geen materiële einduitspraak, maar een schorsing van het onderzoek ter terechtzitting met als doel meer duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of de Amnestiewet in strijd is met de Surinaamse Grondwet. Die duidelijkheid zou moeten worden verschaft door het toen nog in te stellen Constitutioneel Hof. Het is toch wel bijzonder dat een beslissing met die inhoud door het advocatenteam als ‘integrale toepassing van de Amnestiewet’ wordt omschreven. Die karakterisering verdraait hoe het werkelijk zit. En de schorsingsbeslissing vormt ook geen finaal strafvonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan.
Los van dit alles verdient, tot slot, nogmaals aandacht dat het mensenrechtenverdrag en de IAHRM-jurisprudentie die straffeloosheid bij ernstige mensenrechtenschendingen verbiedt voorrang hebben op het nationale recht (art. 105 Gw). Eigenlijk is dat op dit moment het enige relevante richtsnoer.
Mr. G. Spong is advocaat te Amsterdam
Mr. T.G. van der Zwaag is verbonden aan de Spong Law Academy
De redactie van de Ware Tijd stelt lezers in de gelegenheid stukken in te zenden ter publicatie. In principe worden alle ingezonden artikelen opgenomen, tenzij de inhoud schadelijk, kwetsend of beledigend is voor derden. Stukken die worden geplaatst komen niet noodzakelijkerwijs overeen met de mening van de Ware Tijd. De redactie behoudt zich het recht voor om stukken niet te plaatsen, of in te korten of te redigeren zonder dat die uit hun context worden gehaald.