“De gewijzigde Amnestiewet voorziet in een vervolgingsbeletsel; of deze of gene het daarmee oneens is of niet” luidt een nadrukkelijke passage uit een brief van toenmalig auditeur-militair Roy Elgin in het 8 december-strafproces aan het Hof van Justitie (HvJ). De brief van de auditeur-militair, die nu rechter is, dateert van 4 maart 2016, de dag waarop het strafproces weer aanving, nadat het door de krijgsraad was geschorst.
Tekst Wilfred Leeuwin
Beeld Pieter van Maele
In zijn schrijven bestrijdt en weerlegt Elgin de voortgang van het strafproces om deze en meerdere redenen en vroeg hij toen het proces voor ten minste één jaar op te schorten. Volgens hem hadden zowel het Openbaar Ministerie (OM) als hij, als vervolgingsambtenaar, bij de hervatting niet ontvankelijk moeten worden verklaard. Echter, de Krijgsraad besliste anders.
Het 8 december-strafproces werd in april 2012 door de krijgsraad geschorst, nadat een dilemma was ontstaan omdat De Nationale Assemblee (DNA) op 4 april 2012 de Amnestiewet van 1989 met 28 stemmen had gewijzigd. Deze werd binnen twee dagen getekend en afgekondigd door toenmalig president Desi Bouterse, die hoofdverdachte was in deze zaak.
Het dilemma was het toetsen van de wijzigingen in de wet, als die in strijd was met het proces en de Grondwet. De krijgsraad legde dat voor aan Elgin als auditeur-militair en de advocaten van Bouterse en de nabestaanden. Elgin was toen al van mening dat het strafproces wederom moest worden geschorst, totdat er een Constitutioneel Hof in het leven was geroepen die de toetsing moest doen. Dit hof bestond er toen nog niet en werd pas in 2020 ingesteld.
De nabestaanden hebben in een verzoekschrift het Hof van Justitie (HvJ) gevraagd om de zaak voort te zetten. Dit verzoek werd op 27 november 2015 toegewezen. De procureur-generaal kreeg per beschikking de opdracht het onderzoek ter rechtszitting te hervatten in de stand waarin het zich bevond vóór de schorsing.
Elgin schreef zijn brief ook, omdat hij bij wet als vervolgingsambtenaar ondergeschikt is aan de procureur-generaal die verantwoordelijk is voor de vervolging en zelf ook verder moest procederen tegen de verdachten. Later zou het Elgin zijn die als vervolgingsambtenaar de strafeis van twintig jaar tegen Bouterse en de andere verdachten deed.
Prealabele rechtsvraag
Al op de eerste dag dat het proces werd hervat, schreef Elgin het HvJ aan dat, zoals de wet voorschrijft, er gehoor is gegeven aan de opdracht om het proces te vervolgen. Echter, hij benadrukte hij dat volgens de wet er met de aanname van wijzigingen in de Amnestiewet er een prealabele rechtsvraag (juridisch vraagstuk, dat moet worden beantwoord, voordat verder kan worden gegaan met een hoofdzaak waar het van toepassing op is, … red.) is ontstaan dat, volgens de wet, eerst moet worden beantwoord.
Die vraag was, zoals door de Krijgsraad gesteld, als er sprake was van inmenging in het strafproces met de gewijzigde Amnestiewet. Zowel tegenover de Krijgsraad als in zijn brief aan het HvJ bleef de toenmalige auditeur-militair erbij dat elke voortzetting van het strafproces, zoals het aandragen van bewijsmateriaal, in strijd is met de wet, zolang het prealabele vraagstuk niet was beantwoord, wat volgens hem alleen kon worden getoetst door een Constitutioneel Hof.
De Krijgsraad, gehoor gevend aan de opdracht van het HvJ in een beschikking, legde toen bij de hervatting van het strafproces de Amnestiewet ter zijde en ging zo voorbij aan het eerst oplossen van het prealabele vraagstuk in deze rechtszaak. Elgin schreef in zijn brief dat de aanname en afkondiging van de Amnestiewet onverkort betekent dat de straffeloosheid van de ten laste gelegde feiten voorschrijft.
Meer nog dat de Krijgsraad middels het opschorten van het proces vanwege het prealabele vraagstuk, het proces met een vonnis ten einde heeft gebracht in 2012. Elgin is van mening dat het OM en dus ook hij, bij de herstart van het proces, niet ontvankelijk hadden moeten worden verklaard, omdat het proces formeel tot een einde was gebracht.
Elgin schreef dat op 4 maart bij de hervatting van het proces het formele vervolgingsbeletsel nog altijd bestond. Hij verwees naar het opschortingsvonnis van de krijgsraad waarin die zelf aangaf dat ‘de Krijgsraad is gestuit op een prealabele rechtsvraag, waarvan de beantwoording noodzakelijk is ter verdere beslissing in deze rechtszaak’.
Hoger beroep
Elgin heeft het HvJ erop gewezen dat er steeds juridische fouten werden gemaakt die in strijd waren met de wet. Zo was door het HvJ het eerste vonnis tegen Bouterse in mei 2012 vernietigd en was door het HvJ als hoogste rechtsinstantie wederom vonnis gewezen. De voormalige auditeur-militair zei in zijn brief dat uit het vonnis van het HvJ toen nergens is gebleken en dat is geoordeeld dat het pre-juridicele vraagstuk er niet meer bestaat, dat de krijgsraad zelf de door haar opgeworpen vraag van inmenging moet beantwoorden, dat inmenging in de strafzaak niet aan de orde is en dat de gewijzigde Amnestiewet niet van toepassing is op het strafproces. Elgin concludeerde dat dit alles nog steeds aan de orde was, nadat de zaak in hoger beroep ging. Een tweede cruciale fout was volgens Elgin dat het HvJ in raadkamer bijeen was gekomen om te beslissen op het verzoek van de nabestaanden om de schorsing van de rechtszaak op te heffen.
Over de eerste fout schreef Elgin dat in de periode dat er niet binnen de wet vastgestelde periode hoger beroep was aangetekend het vonnis van de krijgsraad in zowel ‘geag van gewijsde als in kracht van gewijsde was komen te verkeren. Dit betekende dat het al gewezen vonnis, opschorten van het strafproces, bindend was. Hoger beroep was dus niet meer mogelijk. In het tweede geval zei Elgin dat het HvJ in raadkamer elke bevoegdheid miste om een in eerste instantie gewezen en gesproken vonnis, dat nota bene in gezag van gewijsde is, ongedaan te maken.
Vervolging onmogelijk
Elgin deelde het hof concluderend mee dat de beschikking van het HvJ van 27 november 2012 aan de krijgsraad om het 8 december-strafproces te vervolgen, nooit en te nimmer tot gevolg kon hebben dat uitgesproken vonnissen in gezag van gewijsde ongedaan konden worden gemaakt, het vervolgingsbeginsel zoals door de Krijgsraad zelf is vastgesteld, opgehouden was te bestaan.
De opdracht om te vervolgen betekende ook niet dat de Amnestiewet niet moest worden toegepast, waardoor vervolging kon worden voortgezet. In kapitale letters verwees Elgin naar het Wetboek van Strafvordering dat ‘Strafvordering alleen plaats heeft op de wijze zoals bij wet voorzien’.
Beklag
Opmerkelijk was dat Elgin in zijn brief een persoonlijke beklag deed. Eerst stelde hij dat ook hij als vervolgingsambtenaar bewaker is van een goede procesorde en dat het OM in een strafproces noch voorstander noch tegenstander is. Daarnaast schreef de toenmalig auditeur-militair dat hij gedurende de uitvoering van zijn taken, aanvallen heeft ervaren op zowel zijn professionaliteit als zijn kunde. Hem was wanprestatie verweten en zijn integriteit werd ter discussie gesteld. “Je doet onnodig moeilijk”, zou hem zijn verweten.
Hij schreef aan het HvJ dat ook als auditeur-militair hij niet mag afwijken van het legaliteitsbeginsel. “Voor allen die het wel of niet willen horen, de auditeur-militair heeft als rechtshandhaver slechts een keus en een opdracht.” Opmerkelijk zei hij dat “juridisch gelijk hebben in deze strafzaak kennelijk ongelijk is aan het maatschappelijk gelijk hebben”, wat niet wegneemt dat de auditeur-militair zich als wethandhaver dient te houden aan de wetten.