Marie Levens krijgt internationale erkenning voor educatieve verworvenheden
“Ik heb het werk niet gedaan voor een award. Ik heb het gedaan omdat ik er van hou en het zie als mijn passie, mijn hobby. Mijn sterk internationaal team en ik zorgden ervoor dat er studiebeurzen kwamen en dat de jongeren konden studeren. Niet alleen om het kader in Latijns-Amerika en de regio te versterken, maar ook om in het verlengde daarvan de ontwikkelingen in eigen land een zet vooruit te geven.” Zo sprak Marie Levens, oud-minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, in Genève na van de Associatie van Braziliaanse universiteiten een internationale award te hebben gekregen.
Tekst Wilfred Leeuwin
Beeld Privécollectie
De onderscheiding werd haar toegekend vanwege haar jarenlange inzet voor en verworvenheden op onderwijsgebied in Latijns- en Zuid-Amerika. In haar functie als directeur van het departement Human Development, Education and Culture bij de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), die zij tien jaar vervulde, mochten de Latijns-Amerikaanse en Caribische regio steeds op haar rekenen.
“Ik hoef er geen fysieke award voor te krijgen … dankbaarheid is een sterker woord voor waardering”
De uitreiking aan de zichtbaar geëmotioneerde onderwijsdeskundige ging gepaard met een daverend applaus tijdens de XVI General Assembly and the XIII International Seminar of the International Cooperation Group of Brazilian Universities (CGBU), die werd gehouden van 23 tot en met 27 oktober. Dit is het grootste onderwijscongres van de universiteiten, waar Levens zelf ook één van de sprekers was. De CGBU bestaat vijftien jaar. Het thema van het congres was ‘Higher Education for a Global Citizenship’.
‘Dankjewel’
Op de vraag van de Ware Tijd of ze het niet sneu vindt in eigen land geen award te hebben gekregen, zegt Levens: “Nee hoor. Ik heb misschien geen fysieke award gekregen, maar het ‘dankjewel’ van leerlingen en ouders, die ik een kans heb gegeven in het onderwijs, zijn honderden awards waar ik trots op ben. Het is wel zo dat critici eerder in beeld komen dan zij die dankbaar zijn.”
Levens wordt vooral gewaardeerd om haar beleid en gedurfde onderwijshervormingen in Latijns-, Zuid- en Midden-Amerika. Ze heeft leiding gegeven aan het grootste programma van de OAS. De organisatie bedankte haar voor haar leiderschap op het gebied van onderwijs in de 34 OAS-lidstaten. Daarbij konden een paar honderd studenten uit de regio studeren aan grote universiteiten in onder meer Brazilië, Mexico, Colombia, de Caribische regio, Canada, Verenigde Staten, China en India.
Levens: “Ook van Suriname zijn er studenten in Brazilië gaan studeren. Dit land heeft bijna 2.500 hoger onderwijsinstituten met meer dan veertigduizend specialiteiten. Van onze studenten is 95 procent teruggekomen, soms zelfs met een partner van één van die landen.”
Ook voor het studiejaar 2024/25 kwamen bij Suriname aanbiedingen binnen van veel landen, waaronder Brazilië. “Suriname moet het mogelijk maken dat die kunnen worden benut door geld ter beschikking te stellen voor de eigen bijdrage die altijd wordt gevraagd. We hebben kader nodig dat de wereld waarin we leven leert kennen en met die wereld kan onderhandelen”, pleit Levens.
Vluchtelingen een uitdaging
Op het onderwijscongres in Genève heeft ze gesproken over de uitdaging die vluchtelingen op universiteiten wereldwijd – dus ook in Latijns-Amerika en het Caribisch Gebied – vormen. Veel universiteiten hebben te maken met vluchtelingen die ook recht hebben op hoger en wetenschappelijk onderwijs en die universiteiten vragen zich af hoe daarmee om te gaan.
Zij heeft met haar presentatie getracht een bijdrage te leveren aan het formuleren van beleid hiervoor. Haar is gevraagd de volgende vergadering van OAS-onderwijsministers in Ecuador in 2024 voor te bereiden.
Hervorming in eigen land
Levens ziet weinig verschil tussen Suriname en wat zij in de regio heeft gedaan. Zij benadrukt dat ook in eigen land het moet gaan om de ontwikkeling van het kind, dat minder kansen heeft en niet om een systeem dat voor hen funest is.
Ze verwacht dat de door haar doorgevoerde hervormingen, zowel op korte als lange termijn, vruchten zullen afwerpen voor zowel de leerlingen, hun ouders als voor de verdere ontwikkeling van het land. Of haar opvolger bij Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, Henry Ori, doorgaat met deze hervormingen is een kwestie van regeerbeleid.
Levens: “Jammer dat het verkeerd is begrepen, maar neem het basisonderwijs. Wanneer je in een klas dertig leerlingen hebt, kan je drie groepen identificeren. Eén waarvan je weet dat die verder gaat naar het mulo, een andere die zeker verder zal gaan naar het beroepsonderwijs en een derde groep die meer de praktische richting zal moeten opgaan, omdat leerlingen van die groep niet kunnen doorstromen naar het mulo of beroepsonderwijs.”
De oud-minister stelt dat het doel van de hervorming is dat deze derde groep de gelegenheid krijgt om in het onderwijsproces te blijven. “Geef ze geen cijferrapport en meet ze niet met dezelfde standaarden als de twee andere groepen, anders krijg je rapporten met alleen maar tweetjes en drietjes. Wat zij nodig hebben is een voortgangsrapport. Vertel daarin waar ze goed in zijn, al zijn het maar twee of drie vakken. Het voortgangsrapport zorgt ervoor dat zij niet uit het onderwijssysteem worden gegooid in het derde of vierde leerjaar, maar laat ze doorgaan in de vakken waarin ze goed zijn. In leerjaar tien kunnen ze naar de praktijkschool doorstromen waar ze goed in zijn. Dan kunnen ze met hun handen gaan werken.”
Deze groep is in de Surinaamse onderwijsgeschiedenis altijd buiten spel gezet en het resultaat liegt er niet om: 37,6 procent van de samenleving heeft nog niet eens de vijfde klas van het basisonderwijs doorlopen, laat staan de zesde klas. “Dit is funest voor de samenleving en de ontwikkeling van het land.”
‘Het werkt’
Ook bij het mulo is volgens Levens bewezen dat haar strategie werkt. Het model heeft ervoor gezorgd dat kinderen uit de derde groep die doorstromen meer keus hebben dan alleen de A- of B-richting op de muloschool. Er is nu ook een C-richting.
“Geef ze geen cijferrapport en meet ze niet met dezelfde standaarden anders krijg je rapporten met alleen tweetjes en drietjes. Wat zij nodig hebben is een voortgangsrapport”
Het probleem deed zich voor dat meer praktisch gerichte leerlingen wel een mulo-diploma behaalden, maar voor geen enkel pakket dat toegang gaf tot het middelbaar onderwijs slaagden. Voor hen werd het driejarige havo opgezet, waar zij veel meer keuzes hebben. “Dat heeft gewerkt anders zouden zij gaan rondlopen.” Die leerlingen hebben meer keuzes tot bijvoorbeeld de AHKCO, het IOL en het PTC.
Levens: “Het mooie ervan is dat wanneer deze kinderen op de praktijkschool terechtkomen en de leeftijd van vijftien en zestien jaar hebben bereikt, zij heldere momenten krijgen en dingen beter en helder bekijken. Dat komt doordat zij zich bewust zijn van de kans die zij hebben gehad. Ze weten beter met maatschappelijke vraagstukken om te gaan. Het ‘dankjewel’ dat ik daarvoor krijg van ouders die dankbaar zijn dat deze leerlingen niet op straat zijn terechtgekomen, is ook een award. In de regio heb ik dezelfde strategie toegepast. Ik hoef er geen fysieke award voor te krijgen, maar dankbaarheid is een sterker woord voor waardering”, aldus Levens.
