Suriname voorstander van rechtvaardige uitfasering fossiele brandstof

ROM-minister Marciano Dasai voerde ook het woord tijdens een sessie in het Climate Mobility Pavilion.
Shoeket logo

Bron: De Ware Tijd

13 December 2023 05:54

Voor mij lezen

Klimaattop benadrukt tegenstellingen en belangen rijke en arme landen

Suriname staat aan de kant van landen die eisen dat de rijke, ontwikkelde landen ermee instemmen dat zij het gebruik van fossiele brandstof uitfaseren en aan de landen in ontwikkeling tijd, technische assistentie en financiële mechanismen ter beschikking stellen om zich met fossiele brandstof ook te ontwikkelen. “Zij hebben zich daarmee ontwikkeld, hebben voor het klimaatprobleem gezorgd en verwachten nu dat de ontwikkelingslanden geen gebruik maken van die natuurlijke hulpbron om zich te ontwikkelen”, zegt minister Marciano Dasai van Ruimtelijke Ordening en Milieu die heeft deelgenomen aan de klimaatconferentie in Dubai, de Conference of the Parties (COP28).

Tekst Wilfred Leeuwin

Beeld Kabinet van de president

De bewindsman legt in gesprek met de Ware Tijd uit dat uitfaseren tegen de achtergrond van ontwikkeling een meer rechtvaardig karakter zal moeten hebben. Het is in de Verenigde Arabische Emiraten gekomen tot een enorme tegenstelling tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden. Vooral als het gaat om het wel of niet uitfaseren van het gebruik van fossiele brandstof, waaraan hoofdzakelijk de oorzaak van klimaatverandering en de gevolgen daarvan worden toegeschreven. Maar het gaat ook om wie zou moeten uitfaseren en wie niet.

“Wij zijn niet tegen het uitfaseren, maar het moet rechtvaardiger en wel op een manier die ons de capaciteit geeft ons aan te passen aan de veranderende situatie”

Suriname dat in de Alliance of Small Island States (Aoasis) en in G77-verband heeft geparticipeerd in de onderhandelingen op COP28 heeft samen met onder meer Guyana, Honduras en Belize voorgesteld dat in de uiteindelijke slotverklaring van de klimaatconferentie, die dinsdag officieel is geëindigd, een aanpassing komt in de tekst. Die luidt: ‘Geen nieuwe investeringen in de productie- en distributie-infrastructuur van fossiele brandstoffen, vooral niet van grote uitstoters, als onderdeel van een rechtvaardige en eerlijke transitie’.

Rechtvaardiger

Dasai die dit standpunt verdedigt, zegt dat volledig uitfaseren van fossiele brandstof en de productie daarvan op meerdere fronten, gevolgen zal hebben voor de wereld. Met name de kleine economieën en arme landen zullen hiervan het slachtoffer worden. Op de eerste plaats zijn het gebruik en de beschikking van hernieuwbare energiebronnen, die milieuvriendelijker zijn, bij lange na niet genoeg om te beantwoorden aan de steeds toenemende vraag naar energie in de wereld.

Dat uitfaseren overbruggend een kwestie moet zijn van de rijke landen, die de tijd hebben gehad zich met fossiele brandstof te ontwikkelen, is volgens de minister een rechtvaardiger voorstel. “Deze rijke landen die verantwoordelijk zijn voor de uitstoot van schadelijke stoffen, hebben voor zichzelf de mogelijkheid geschapen om met hoge technologie en geld, die landen als Suriname niet hebben, zich te ontwikkelen.”

De bewindsman noemt als voorbeeld het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en het ontwikkelen van milieuvriendelijke voertuigen. Volgens hem hebben deze landen, ook wel annex-1 genoemd, zich steeds en meer geconcentreerd op mitigerende maatregelen die hen, gezien hun enorme mogelijkheden aan technologie, in staat stellen zich aan te passen. Echter, zij hebben weinig aandacht besteed aan adaptatie, die vooral ontwikkelingslanden als Suriname in staat moet stellen zich aan te passen aan de veranderende situatie, met daarbij de uitdaging om zich te kunnen blijven ontwikkelen.

Bij al deze redenen hoort ongetwijfeld het armoedevraagstuk, dat ook een belangrijk internationaal ontwikkelingsdoel is en moet worden gehaald en dus een grote uitdaging is voor ontwikkelingslanden. “Wij zijn niet tegen het uitfaseren, maar het moet rechtvaardiger en wel op een manier die ons de capaciteit geeft ons aan te passen (adaptatie) aan de veranderende situatie en de doelen van het Parijs-akkoord van 2015. Daarin is opgenomen dat de 197 landen die erbij betrokken zijn ervoor zullen zorgen dat de uitstoot vermindert en de opwarming van de aarde met anderhalf tot twee graden Celsius zal moeten afnemen.”

Meer erkenning

In de context hiervan legt Dasai uit dat vanuit de wereldgemeenschap er meer erkenning moet komen voor de mitigatie van ontwikkelingslanden, zeker landen als Suriname, Bhutan en Panama, de enige drie carbon negatieve landen in de wereld. “Eigenlijk zouden wij ons geen zorgen moeten maken over hoe te mitigeren, want we zijn carbon negatief”, zegt de bewindsman.

Suriname heeft in zijn Biennial Update Report aan de wereldgemeenschap, aangegeven binnen de bosbouw-, landbouw- en transportsector zijn uitstoot te zullen verminderen. “Maar we moeten erkenning krijgen. We vragen niet om accommodatie, maar om erkenning van onze ‘removals’”, zegt Dasai.

Hoewel Suriname onder de paraplu van de Aosis heeft onderhandeld, is het Surinaamse standpunt samen met Guyana en Belize, afwijkend van dat van de Aosis, die juist pleit voor het uitfaseren van fossiele brandstof. Dat komt omdat in de alliantie er meer eilanden zijn met weinig bosbedekking. “Maar wij pleiten voor een meer ‘nature base’-mechanisme, zoals behoud van CO2 door middel van onze bossen.”

Met name Suriname en Guyana, die veel ontwikkelingsperspectieven zien vanwege hun olievoorraden, maken zich sterk voor het, wat zij noemen, ‘meer rechtvaardige’ standpunt. “Wij hebben in Suriname te maken met een crisis en het armoedevraagstuk. Het zou oneerlijk zijn dat zij alle tijd hebben gehad om zich te ontwikkelen en wij niet”, zegt de minister.

‘Lost and damage’-fonds

Op de klimaattop is er snel een ‘historisch’ besluit genomen voor het oprichten van een ‘lost and damage’-fonds, waaruit ontwikkelingslanden kunnen putten. ‘Lost and damage’ is het verlies en de schade die landen ondervinden, bijvoorbeeld aan landbouwarealen, gebouwen en infrastructuur, als gevolg van klimaatverandering.

Dasai maakt daarin enige nuance. Op de eerste plaats is dit fonds, dat in 2024 operationeel wordt, bij lange na niet genoeg. Tot nu toe is bijkans negenhonderd miljoen US dollar gedoneerd om de adaptatieproblemen aan te pakken. Dit bedrag is slechts 0,2 procent van de bijkans driehonderd tot vijfhonderd miljard US dollar die de United Nations Framework Convention on Climate Change heeft uitgerekend als nodig te zijn voor adaptatie tussen 2030 en 2050.

Het werkelijke probleem ligt volgens de bewindsman aan de gebrekkige en mindere capaciteit waaraan het ontwikkelingslanden als Suriname ontbreekt om in aanmerking te komen voor geld uit dergelijke fondsen. De eisen en standaarden zijn enorm hoog en streng. Zo is het Suriname niet gelukt bij het Green Climate Fund voldoende data te produceren om de omvang van verlies en schade als gevolg van klimaatverandering aan te tonen.

Een pluspunt voor de Surinaamse delegatie op COP 28 is dat er gesprekken zijn gevoerd met Green Climate Fund voor capaciteitsversterking om in aanmerking te komen voor geld. Er is een toezegging gedaan voor tien miljoen US dollar. Daarnaast is in samenwerking met het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij een projectvoorstel ingediend om in aanmerking te komen voor 19,6 miljoen US dollar om de rijstsector weerbaar te maken voor klimaatverandering. “Het duurt dan door die hoge standaarden en eisen een paar jaar voordat je geld krijgt. We hebben ervoor gepleit dat het sneller moet”, zegt Dasai.

“Eigenlijk zouden wij ons geen zorgen moeten maken over hoe te mitigeren, want we zijn carbon negatief”

Suriname heeft naast onderhandelen over de klimaatdoelen in Aosis- en G77- verband zelf gesproken met andere landen en gelobbyd voor samenwerking. Zeker op het gebeid van adaptatie. Zo is met Indonesië gesproken over capaciteitsversterking en kennisuitwisseling op het gebied van mangrove. Dat land heeft voor capaciteitsversterking driehonderd miljoen US dollar gekregen.

Intussen is bekend geworden dat het opnemen van een aangepaste tekst in de slotverklaring van de klimaattop op enorme tegenstand stuit van ontwikkelde landen, maar vooral olieproducerende rijke landen. De COP werd voorgezeten door de oliemagnaat, sultan al-Jaber, die resoluut, “nee, absoluut niet”, antwoordde op de vraag of hij zou instemmen met de aangepaste tekst.

Dasai: “Dit zijn allemaal standpunten die op de klimaattop zijn ingenomen. Het wordt nog een harde noot kraken bij de onderhandelingen om de standpunten in het slotdocument te kunnen krijgen.” De bewindsman wil met nog weinig tijd op de top nog niet spreken van een mislukte klimaatconferentie. Echter, sommige conferentiegangers en topdelegaties zijn wel van mening dat wanneer er geen overeenstemming wordt bereikt over het uitfaseren en het gebruik van fossiele brandstof de klimaattop zal zijn mislukt.

Marciano Dasai (r) maakte deel uit van het panel dat inging op het thema ?Harnessing Climate Mobility for Adaptation & Resilience? tijdens COP28.
Bekijkt origineel bericht ⇒

Meer actueel