Tekst en beeld Valerie Fris
PARAMARIBO — “Het is pure onzin dat ik mensen benoem op mijn ministerie die geen onderwijsachtergrond hebben. Ik heb nu juist mensen geplaatst met een degelijke onderwijsachtergrond”, zei minister Henry Ori van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur woensdag tegenover journalisten voor aanvang van de ministerraad vergadering.
De minister zegt naar deskundigheid en kwaliteit te zoeken. “Men heeft juist mensen geplaatst met algemene opleidingen zoals MO-A en MO-B en verwacht topmanagement kwaliteit en dat ze aansturing kunnen geven, maar dat kunnen ze niet”, zegt de minister overtuigd. Ori stelt dat de nieuwe benoemingen op zijn ministerie van belang zijn vooral om de veranderingen die plaatsvinden bij het Algemeen Vormend en bij het Beroepsgericht Onderwijs.
“De mensen die het veld moesten ruimen zijn juist de mensen die niet over die kwaliteit beschikken”
De bewindsman geeft aan, dat er een tekort aan medewerkers zijn bij enkele vitale diensten van het Ministerie. “De mensen die het veld moesten ruimen zijn juist de mensen die niet over die kwaliteit beschikken. Mensen die bruggen kunnen bouwen richting stakeholders en die kunnen communiceren. Het is niet leuk voor een ieder en zeker voor bepaalde individuen niet, maar wij kijken naar deskundigheid”, benadrukte de minister.
Op de vraag van een journalist hoe hij omgaat met de kritiek dat hij alleen mensen benoemd die ‘op hem lijken’ antwoordde de minister ietwat geïrriteerd: “Die conclusie laat ik aan u over, ik wil daarop niet ingaan. Het is uw conclusie, maakt u ervan wat u wilt, ik ga er niet op reageren, het spijt me”.
Onderwijsvernieuwing
Wat betreft het zogenoemde doorstromingsbeleid, is deze door de minister naar zijn zeggen getemporiseerd. “Het doorstromingsaspect speelt pas een rol aan het eind van het jaar. Daardoor hebben we nu voldoende tijd om afspraken te maken met de schoolleiding en met de leerkrachten.”
Hij stelt verder dat de leerkrachten volgens de ‘normale’ normen moeten nagaan als een leerling wel of niet overgaat. “Blijven zitten zal gewoon gebeuren indien het noodzakelijk is”. Voor de basisvakken rekenen en taal zouden leerlingen geen diepe onvoldoende mogen hebben om over te kunnen gaan.
De minister benadrukt evenwel, dat er nog steeds wordt gekeken naar het voortgangsrapport van de leerlingen en dat er ook extra aandacht wordt geschonken aan ‘zwakke’ leerlingen. Om dit proces zo vlot mogelijk te laten verlopen moeten er wel voldoende onderwijzers zijn. De bewindsman ontkent echter dat er een gigantische uitstroom is van leerkrachten; die informatie blijkt volgens hem niet te kloppen. “Er zijn inderdaad enkele vakleerkrachten weg maar wij zijn bezig om samen met het Instituut voor de Opleiding van Leraren te kijken hoe de tekorten aangevuld kunnen worden”, liet de minister nog weten.