De oude man van Masyaf
De achterflap van het boek De oude man van Masyaf, uitgegeven door Amsterdam University Press en geschreven door Frank Bosman, stelt dat de Assassijnen in ons collectief cultureel geheugen gekerfd staan als een mysterieuze, religieuze organisatie, die bekend staat als hofleverancier van door drugs gehersenspoelde sluipmoordenaars. Je komt deze Assassins tegen in populaire boeken als Angels and Demons van Dan Brown, in succesvolle videogameseries als Assassin’s Creed en in bekende films als Prince of Persia. Maar wie verder zoekt in hun geschiedenis vindt ook Friedrich Nietzsche terug, samen met Marco Polo en Richard Leeuwenhart. Deze Assassijnen gaan terug op een kleine sjiitische sekte – de nizarische isma’ilieten – die tijdens de Europese Kruistochten in het Heilige Land haar eigen politieke doelen nastreefde. Deze monografie brengt de middeleeuwse, Latijnse en Oud-Franse kronieken, brieven en gedichten over de Assassijnen voor het eerst in Nederlandse vertaling samen. Aan de hand van deze teksten biedt Frank G. Bosman een uniek overzicht van het ontstaan en de ontwikkeling van de Assassijnse legendes in de westerse wereld vanaf het einde van de twaalfde eeuw tot heden.

De oude man van Masyaf telt negen hoofdstukken. Hoofdstuk 1 belicht de geschiedenis van de Nizarische isma’ilieten. Hoofdstuk 2 tot en met 4 belichten de christelijke kronieken en beschrijven een historisch conflict en enkele sluwe sluipmoorden die ze vanuit Masyaf, een onneembaar bergfort in Syrië, beraamden op bijvoorbeeld Koenraad I, de christelijke koning van Jeruzalem en Saladin, de aanvoerder van de soennieten. In de rest van de hoofdstukken gaat Bosman in op verhalen die over nizarische isma’ilieten worden verteld.
Volgens een studie van de Amerikaanse Meriem Pagès geeft Bosman op een rijtje wat westerse reizigers (onder wie Marco Polo), chroniqueurs en historici sinds 1165 zoal over ze geschreven hebben en tot welke legende dat al met al is uitgedijd.
De geschiedenis
De geschiedenis van de nizarische ismaïlieten is zowel complex als fascinerend. Deze groep is ontstaan als gevolg van verschillende conflicten en afsplitsingen sinds de dood van de profeet Mohammed in 632. Hierbij ging het met name om een opvolgingskwestie. Het eerste conflict begon tussen de aanhangers van de stromingen: het soennisme en sjiisme.
‘Toen Ali, neef en schoonzoon van de profeet Mohammed, in 661 werd vermoord door politieke tegenstanders, erkenden zijn aanhangers Ali’s zoon (en Mohammeds kleinzoon) Hassan als hun nieuwe leider. Hassan deed echter vrijwillig afstand van het leiderschap van de moslimgemeenschap ten gunste van Moe’awija I, stichter van de Omajjaden-dynastie die van 661 tot 750 het islamitische kalifaat zou regeren. De aanhangers van Ali en Hassan werden bekend onder de Arabische naam ‘Shi’at Ali’ (‘Partij van Ali’), ofwel de sjiieten. De sjiieten legden zich dus niet neer bij het besluit van Hassan. Zij meenden dat alleen een bloedverwant van de profeet en zijn vrouw Fatima aanspraak kan maken op het politiek en militair leiderschap van de moslimgemeenschap en Moe’awija voldeed niet aan die eis. Toen Hassan in 669 of 671 stierf, dook al snel het gerucht op dat een van zijn vrouwen hem vergiftigd had in opdracht van Moe’awija. De sjiieten vroegen vervolgens Hassans broer, Hoessein, om hen te leiden, maar hij werd – tezamen met een groot deel van zijn familie – in 680 vermoord door een groep gelieerd aan Moe’awija. Dit bloedbad vormde de aanleiding voor de definitieve breuk tussen de sjiieten en de soennieten’, stelt de auteur.
De Partij van Ali wist de gelederen echter zelf ook niet gesloten te houden en het sjiisme viel in de loop van de eeuwen uit elkaar in talloze grotere en kleinere groeperingen. Voor dit boek is een specifieke sjiitische afsplitsing van belang, die in 765 ontstond. Toen de zeer invloedrijke leider van de sjiieten, imam Dja’far al-Sadik, in dat jaar overleed, volgde zijn zoon Mohammed hem op. Een aantal volgelingen van Dja’far erkenden echter diens andere zoon Ismaïl als de ware opvolger. Deze groep zou (daarom) later aangeduid worden als de ismaïlieten. Op hun beurt konden de ismaïlieten de eenheid niet bewaren toen in 1094 weer een opvolgingskwestie opspeelde na de dood van imam Al-Moestansir bi’Ilah. Zijn jongste zoon Al-Moesa’li werd naar voren geschoven als opvolger, maar een deel van de ismaïlieten accepteerde dat niet en verzamelde zich rond Nizar, de oudste zoon die door zijn vader was aangewezen als opvolger. De aanhangers van deze afsplitsing – volgers van Ali, Ismaïl en Nizar – kwamen naderhand bekend te staan als de nizarische ismaïlieten.
De opvallendste legende
De mooiste legende die opvalt, wordt in het laatste hoofdstuk (9) verteld: De Assassijnse legende. Deze legende wordt hieronder integraal opgenomen, omdat die een fantastisch voorbeeld is van een traditioneel verhaal over de Nizarische Ismaëlieten, de sjiïtische sekte die achter de Assassijnen schuilging en over de christelijke legendevorming rond deze supersluipmoordenaars.
‘In de twaalfde en dertiende eeuw leefde er in Perzië en Syrië een kleine maar radicale groep moslims, wier ongeremde vechtlust en kadaverdiscipline al hun vijanden angst inboezemden. En zo groot was hun terreur onder de christelijke kruisvaarders dat in vele moderne Europese talen een afgeleide van hun naam nog altijd gelijkstaat aan ‘huurmoordenaar’. Deze ‘Assassijnen’ leefden in versterkte bergforten, zoals Alamoet in Perzië en Masyaf in Syrië. Onder leiding van hun leider, die ze de Oude Man van de Berg noemden, hadden ze zich gespecialiseerd in precisiemoorden: één of twee van hen verblijven lange tijd onder hun vijanden tot ze door iedereen vertrouwd worden. Dan slaan ze onverwacht toe, zonder dat ze zich bekommeren of ze het er levend van afbrengen of niet. Mochten ze terugkeren, dan wachtte hun een heldenonthaal. Mochten ze niet terugkeren, dan werden zij als martelaren voor het geloof herdacht en vereerd. De Oude Man van de Berg slaagde erin dit soort moordmachines op te leiden door jonge kinderen uit de omgeving bij hun ouders op te halen en hen in het fort van Masyaf op te voeden. Ze kregen een harde en gedegen opleiding, zowel fysiek als intellectueel: ze leerden alles wat nodig is om lang en onopvallend in de entourage van hun doelwit te kunnen leven en bliksemsnel toe te slaan als de gelegenheid zich aandient. Om zich van hun absolute loyaliteit te verzekeren en hen van elke angst voor hun eigen sterven te bevrijden, drogeerde de Oude Man deze rekruten niet lang voor ze op missie zouden gaan. Ze werden vervolgens wakker in een speciaal door de Oude Man geprepareerde tuin, waartoe alleen hijzelf en enkele vertrouwelingen toegang hadden. In die tuin werden de rekruten verwend met uitgelezen spijzen en dranken, geheel verzorgd door beeldschone vrouwen die hun alles konden bieden wat hun harten begeerden. De rekruten moesten – gezien hun scholing – wel geloven dat ze in het hemels paradijs terechtgekomen waren dat Allah aan de gelovigen heeft beloofd. Enkele dagen later werden de rekruten weer gedrogeerd en ontwaakten ze in hun oude omgeving. Ontsteld door hun ervaring en diep verlangen om terug te keren tot het paradijs, lieten de rekruten zich door de Oude Man vertellen dat ze daadwerkelijk in het hemels paradijs waren geweest en dat hij – de Oude Man zelf – de macht had hen daar weer terug te brengen, mits zij zich aan hem en zijn bevelen zouden onderwerpen. En zo geschiedde. Sommigen beweren dat de Assassijnen definitief werden uitgeschakeld door de Mongoolse horden in het midden van de dertiende eeuw; anderen beweren dat ze ondergronds hebben overleefd en voortbestaan tot op vandaag de dag, aangepast aan de moderniteit, maar geestelijk nog volop verbonden met hun originele filosofie en spiritualiteit; weer anderen beweren dat in het moderne islamitisch geïnspireerd terrorisme de Assassijnse ‘impuls’ nog volop in leven is.’
Visie Bosman
Bosman legt uit dat deze min of meer gestandaardiseerde Assassijnse legende zich van ten minste drie verschillende kanten laat lezen en begrijpen: als een (historisch geijkte) vorm van oriëntalisme, ‘als een uiting van een modieus contemporain liberalisme en als een contemporaine resonantie van (historisch en hedendaags) islamitisch geïnspireerd zelfmoordterrorisme.’
Ten eerste, de Assassijnse legendes kunnen begrepen worden als een vorm van min of meer klassiek oriëntalisme. De Palestijns-Amerikaanse cultuurhistoricus Edward Said bespreekt in zijn boek Oriëntalisme (1978), dat de politieke en economische belangen van de westerse koloniale machten – voornamelijk Frankrijk, Engeland, Spanje, Portugal en Nederland – geleid hebben tot een systematische constructie van een ‘exotisch’ beeld van ‘de Oriënt’ dat bij hun kolonisatie past.
De auteur noemt nog een voorbeeld namelijk dat volgens Richard van Leeuwen de wetenschap en ideologie ineen vloeiden om de superioriteit van Europa te bevestigen en stereotiepe voorstellingen van het Oosten in de westerse cultuur te laten wortelschieten. Volgens Said zijn deze voorstellingen niet alleen bepalend voor het Europese zelfbeeld en het westerse superioriteitsgevoel ten opzichte van andere culturen, maar worden in de huidige tijd nog steeds in stand gehouden ten bate van de westerse politieke en economische hegemonie. De inwoners van ‘de Oriënt’, simpelweg genoemd als ‘Arabieren’ of ‘oosterlingen’, werden (daarom en daarmee) afgeschilderd als een negatieve versie van de (geïdealiseerde) West-Europese burger.
Van Leeuwen stelt ook nog dat in tegenstelling tot de Europeanen zij niet ondernemend, ijverig en pragmatisch waren, maar lethargisch, lui en wars van aardse efficiëntie. Ze ontbeerden de protestantse ondernemingsgeest en bleven steken in hun verlammende en achterhaalde religieuze denkbeelden. (p. 169)
Romantiek
De cultureel-literaire ‘vertaling’ van dit politiek-economisch oriëntalisme is te vinden in de Romantiek. De Romantiek is een specifieke intellectuele beweging, begonnen aan het einde van de achttiende eeuw als protest tegen het mechanische wereldbeeld van de Verlichting, de politiek van het ancien régime, de dominantie van de neoclassicistische esthetiek en de vermeende superioriteit van het westers kapitalisme, stelt Bosman die Eberhard Alsen (2001) en Isaiah Berlin (1999) en anderen citeert. De romantici concretiseerden dit protest door de idealisatie (‘romantisering’) van ‘de ander’: het naïeve kind, het onschuldige dier, de briljante gestoorde, de primitieve ‘wilde’, de eenvoudige landbouwer, enzovoorts. In deze romantische context figureren ook de ‘mysterieuze oosterlingen’ van bijvoorbeeld De verhalen van duizend-en-een-nacht. Kritische wetenschappers hebben gewezen op de blijvende invloed van deze culturele stereotypen in films en videogames.
Afkomst van het woord AssassijnenHet woord Assassijnen is volgens Bosman voortgekomen uit dat vertekende beeld van de Nizari’s: ‘Het Latijnse woord assassinus kwam voort uit het Arabische woord hasjiyya wat betekent: mensen die hasj gebruiken. Daardoor ontstond het idee dat de Assassijnen gebruikmaakten van verdovende middelen, maar dat is waarschijnlijk niet zo geweest. In een aantal soennitische bronnen wordt hasjiyya gebruikt om nizari’s te diskwalificeren als een verkeerd soort moslim. Vervolgens kwam het woord hasjiyya bij de christelijke kroniekschrijvers terecht.’
De Assassijnen passen perfect in deze oriëntalistisch-romantische stroming. De volgelingen van de Oude Man worden – van de eerste kronieken uit de twaalfde eeuw tot de films en games uit de eenentwintigste eeuw – beschreven in termen van ‘de ander’, die tegelijkertijd fascineert en angst inboezemt. De Assassijnen zijn in alles het tegendeel van de westerse kruisridders: ze hebben een ander geloof, een andere hiërarchie en andere gewoontes. Ze hebben geen angst voor de dood, omdat ze vast geloven in het paradijs te komen, dat hun leider hun gegeven heeft. Ze zijn woest en meedogenloos, onverslaanbaar en ondoorgrondelijk. Ze wonen in hun ondoordringbare forten in de bergen van verre landen. Niemand heeft er ooit een van hen persoonlijk ontmoet, men kent hen alleen van verhalen, van horen zeggen.
Zelfmoordterroristen
in zijn boeken, zoals Angels & Demons
In de twintigste en eenentwintigste eeuw worden de Assassijnen door diverse auteurs beschouwd als een weerspiegeling van (historisch en hedendaags) islamitisch geïnspireerd zelfmoordterrorisme. ‘Auteurs als Bernard Lewis (1967), Edward Burman (1987), Anthony Campbell (2008) en Gavin Baddeley en Paul Jones (2009) zijn hier voorbeelden van. In deze context worden de Assassijnen op één lijn gesteld met moderne islamitische terroristen, met name die van 9/11. De ongrijpbaarheid, wreedheid, kadaverdiscipline, doodsverachting, een zelf bevestigde islamitische identiteit en – zoals we in de inleiding al zagen – door drugs benevelde individuen: het zijn allemaal Assassijnse aspecten die als vanzelf van toepassing lijken te zijn op terroristen in Libanon, Syrië, Duitsland of Engeland. De Nizarieten kwamen en gingen, maar de Assassijnen zijn gebleven. Van een klein sjiitisch groepje in Syrië en Perzië tot de legendarische sluipmoordenaars van de eenentwintigste eeuw. Fascinerend en afschrikwekkend tegelijk. Letterlijk the stuff of legends.’
Meerwaarde
Bosman besluit zijn boek met het bespreken van fictie (gedichten, romans, films en videospellen) waarin meedogenloze en ongrijpbare Assassijnen rondsluipen. Van Occitaanse liefdeslyriek en Dante tot en met Dan Browns Bernini Mysterie en Umberto Eco’s fascinatie voor complottheorieën. Voor de liefhebbers daarvan: een boek om in één adem uit te lezen.
[Jerry Dewnarain]