Tekst en beeld Audry Wajwakana
CHARVEIN — “No poti mi nen na íni koranti. Den Srananman moeilijk. Luku san Bouta du nanga den koniman sa a kii na 8 december.” Het is bijna 37 jaar geleden dat LP op de vlucht sloeg om het vege lijf te redden. Hoewel het al meer dan drie decennia geleden is, herinnert ze zich elk moment als de dag van gisteren.
De Ware Tijd bezoekt haar in Charvein, Frans-Guyana, waar ze in een bouwvallig huisje op het balkon ontspannen op een stoel zit. Om haar heen zijn veel kinderen en twee jongvolwassen vrouwen. Eén is bezig podosiri zaden te wassen en de andere sust een baby. Als de krant LP geruststelt dat haar verhaal zonder volledige naamsvermelding gepubliceerd zal worden, wil ze haar ervaring over Moiwana wel delen.
“Mi ben frede want mi ben yere taki den srudati ben suku mi, leki wan fu den sma di den misi na Moiwana“
Helikopter
Daags vóór de slachting hoorde ze in Albina dat mensen die langs de Oost-Westverbinding wonen richting Albina moesten verhuizen. Zelf sloeg zij niet echt acht daarop, “want ik dacht: ‘in Moiwana zijn alleen vrouwen en kinderen, dus we zijn veilig’. Bovendien hielden leden van het Junglecommando zich niet daar op”, zegt ze.
Dat er problemen kwamen geloofden de mensen ook niet toen ze rond elf uur ’s morgens op 29 november schoten hoorde. “Half drie in de middag zagen we bewegingen. Militairen die uit een helikopter ‘zakten’ en schoten losten. We renden naar het bos samen met André (Ajintoena, … red.), een paar mannen, vrouwen en kinderen. We waren met zeventien vrouwen en kinderen. Zestien sma den kii.”
Bij ouders
Ze keerde na enige tijd terug om te kijken wat er precies gebeurde en zag dat er mensen werden gebracht naar de overkant van de straat en in koelen bloede werden neergeschoten. Drie dagen heeft ze zich daarna in het bos schuilgehouden, ze vond ondersteuning van anderen waardoor ze uiteindelijk Stoelmanseiland bereikte. Het dorp van haar ouders. “Ik heb drie dagen lang in mijn bh en onderbroek door het bos gezworven. Mi lon dan mi fadon tapu mi bere. Mi denki dati efu mi opo mi ede mi kan lasi mi libi.”
Op haar buik bewoog ze zich door het bos. Van André Ajinitoena mocht ze zich niet op de weg begeven, anders zou er ook op haar geschoten worden. Ze hoorde tijdens haar vlucht vaker mannen roepen, maar ze was bang zich te laten zien. “Ik wist niet of het militairen waren.”
Vanuit Stoelmanseiland werd ze naar Frans-Guyana gebracht om in het ziekenhuis haar gebroken been dat erg gezwollen en blauw zag medisch te laten behandelen.

Niemand vertrouwen
Hoewel ze zich had geregistreerd als vluchteling bleef ze niet in het vluchtelingenkamp in Frans-Guyana wonen. Ze koos ervoor om op Stoelmanseiland te zijn, omdat haar ouders daar wonen. “Mi ben frede want mi ben yere taki den srudati ben suku mi, leki wan fu den sma di den misi na Moiwana. Ik heb vaker mijn getuigenis gedaan en ik was bang dat ze naar mij op zoek waren.”
Pas toen er vrede werd gesloten, keerde ze voorgoed naar Frans-Guyana terug. De herdenkingsactiviteiten in Suriname gaat ze wel bijwonen. Alleen haar ervaring vertellen lukt nog niet. Ook voor het Openbaar Ministerie niet, omdat ze niemand van de overheid vertrouwt.