Tekst en beeld Audry Wajwakana
PARAMARIBO — Johan Sjonko vindt het niet prettig om steeds over Moiwana te praten. “Ik ben mijn tante en een heleboel zussen kwijtgeraakt. Wij zijn nu nabestaanden. In Frans-Guyana hoorden we dat het Junglecommando de lijken van Moiwana was gaan halen. Maar tot nu toe weten we niet wat er met ze is gebeurd.”
Hij hoopt nu op gerechtigheid en ook om antwoorden te krijgen op zijn vragen. “De militairen kwamen uit de richting van Alfonsdorp. Hoe komt het dat er niets met de inheemsen van dat dorp is gebeurd? Gran lanti musu luku a tori disi”, zegt hij.
“Ik dacht gelijk: ‘als ze een baby van zes maanden hebben gedood, wie ben ik dan?'”
Baby vermoord
In de vroege ochtend van 29 november was Sjonko met zijn vader naar hun kostgrond gegaan. Toen ze terugkeerden, stak hij de weg over en zag een ‘oudere broer’ die hem geruststelde dat ‘ze’ hem niks gaan aandoen. “Ik zag toen huizen in brand. Ik liep naar het huis van mijn opa, kapitein Divinio, en zag dat hij op de grond lag. Zijn voet ondersteboven gedraaid. Aan zijn lichaam waren er geen schotwonden, maar zijn gezicht was opgezet. Hij was gekleed in zijn basya uniform.”
Sjonko liep verder en zag zijn tante levenloos verbrand op een vuur liggen. Een baby van ongeveer zes maanden lag iets verder van haar, ook dood. Naar alle waarschijnlijkheid doodgeschoten in de armen van zijn tante. “Toen ik dat zag dacht ik gelijk: ‘als ze een baby van zes maanden hebben gedood, wie ben ik dan?’ Ik was toen elf jaar.”
Bos in gevlucht
Hij stak de straat over om weer naar de kostgrond te vluchten, waar hij John Misidjan in de masanga (rusthutje van de kostgrond, … red.) aantrof. “Hij had zijn kapotgeschoten been in een bekken en vliegen begonnen eraan te gaan. Ik heb de wond bedekt met een oude rijstzak en trok met een groep verder het bos in, hem achterlatend. Hij kon niet mee.”
Vanwege de hele consternatie waren drie groepen het bos ingevlucht. Zijn vader als ervaren jager zocht de weg richting het dorp Patamacca. De volgende dag, 30 november in de late middag, werd de groep door een paar mannen gevonden, die hen naar Mariakondre brachten. Van daaruit werd boottransport gezocht om hen naar Frans-Guyana over te brengen. Daar werden ze in haastig opgezette tenten naast het vliegveld van Saint-Laurent-du-Maroni opgevangen.
Oprotpremie voor terugkeer
Er kwamen steeds nieuwe vluchtelingen naar het kamp, dat op den duur overvol raakte. Mede door inzet van zendingswerker ‘zuster Gerda’ werd een nieuwe opvangplek in Acarouany, waar vroeger melaatsen werden opgevangen, gevonden. Sjonko en zijn familie werden daar ook naartoe gebracht. “Ik mag niet klagen, de Fransen hebben ons goed opgevangen. We mochten alleen niet naar school gaan en de volwassenen mochten niet gaan werken.”
Toen het Junglecommando en het Nationaal Leger vrede hadden gesloten, besloot Sjonko’s familie niet naar Suriname terug te keren. Ze verhuisde van Acarouany en zijn op de grens van Mana gaan wonen. De nabestaanden van Moiwana hebben ervoor gekozen om in Frans-Guyana te blijven wonen. Veel van de honderden vluchtelingen uit het district Marowijne keerden tegen betaling door de Franse overheid (in de volksmond oprotpremie, … red.) terug naar Suriname.
Getuigenis Zuster Gerda
Onderstaand is een deel uit het oorlogsdagboek van zuster Gerda van Doorn. Ze schreef het volgende op 1 december, twee dagen na de moorden in Moiwana.
‘Als we ’s avonds boven zitten en denken dat er eindelijk een beetje rust is, komt Christiane huilend naar boven. Er is een man aangekomen met een baby van vijf maanden en enkele kleine kinderen. Zijn vrouw werd neergeschoten door het leger. Het is moeilijk uit te leggen wat er door ons heen ging toen deze man rustig zijn verhaal deed. Zaterdag omstreeks drie uur kwamen ongeveer tweehonderd soldaten (gewapend met onder meer karabijnen) Moiwana binnen. De deur van zijn huis werd opengegooid. Ze schoten op zijn vrouw, die geraakt naar beneden viel. Zelf dook hij met één kind (twee jaar) onder het bed. De soldaten zagen hem niet.
Dat was zijn geluk, anders was hij ook neergeschoten. Hij bleef onder het bed liggen tot alles tot rust leek te komen. Zijn vrouw leefde nog, ze praatten ongeveer een uur tot ze stierf. Hij wikkelde haar in een laken, maar kon haar niet begraven. Daarna vluchtte hij snel het bos in, waar hij zijn tante aantrof met een reeks kinderen, onder wie zijn vijf maanden oude baby. Van zaterdagnacht tot maandag trokken ze door het bos en kwamen terecht in een dorp bij Papatam, waar weer werd geschoten. Het hele gezin vluchtte opnieuw het bos in, een deel van het gezin – de man, baby en enige kinderen – wist maandagavond Saint-Laurent te bereiken. Een jongen bracht ze naar ons huis.’
Bron: Dagboek Zuster Gerda van Doorn gekregen van Ellen de Vries
