Tekst en beeld Audry Wajwakana
SAINT-LAURENT-DU-MARONI — “Moiwana ben de wan switi presi fu libi”, verzucht John Misidjan bij de herinnering aan zijn voormalige woonplaats in het district Marowijne. Hij was twaalf jaar toen de Binnenlandse Oorlog uitbrak.
In zijn geboortedorp Moengotapoe ondervonden de bewoners, waar hij ook woonde, veel last van de militairen. Immers, Moengotapoe was ook het geboortedorp van rebellenleider Ronnie Brunswijk, naar wie het Nationaal Leger op zoek was.
“Ik keek door de spleten en zag hoe mensen werden doodgeschoten”
Naar huis gerend
Vanwege de regelmatige aanvallen op het dorp besloot een deel van de bewoners, onder wie de familie van Misidjan, zich in Moiwana terug te trekken. Met name vrouwen, kinderen en ouderen verhuisden naar die iets veiligere plek, omdat in die omgeving ook hun kostgronden lagen.
Samen met wat oudere jongemannen als ‘Ajin’ (André Ajintoena, … red.), ‘Kittie’ en ‘Gerry’ Adam ging Misidjan vaak jagen en hengelen. Dat was ook het geval op 29 november 1986. In de vroege ochtend werd hij door ‘Kittie’ wakker gemaakt om samen op jacht te gaan.
Ze keerden die dag in tegenstelling tot andere jachtdagen, vroeg terug naar het dorp. “In de middag zaten we rustig bij elkaar. Er werd gekookt, toen we plotseling ‘briem briem’ (knallen, … red.) hoorden. Het was eind november dus ik dacht dat iemand vuurwerk afschoot. Maar de kapitein riep; ‘Go ini sey! Go ini sey! Ik ben naar huis gerend”, vertelt Misidjan.
De rust die hij in het begin van zijn verhaal uitstraalde, slaat zichtbaar om. Hij staat op en zoekt nerveus naar een pakje sigaretten in zijn tas alvorens zijn verhaal te vervolgen.
Granaat
De huizen in Moiwana waren toen van planken gemaakt. Door de spleten kon hij naar buiten kijken. “De hele plek en de straat waren vol met militairen. Ik zag nog net een slanke Hindostaanse militair met een geweer om zich heen ‘iets’, dat leek op een sterappel, uit een blauwe sporttas nemen. Later begreep ik dat het een handgranaat was. Hij loste eerst schoten op de huizen, ook waar ik mij schuilhield. Door het geluidsgeweld kon ik niet meer zo goed horen. Ik keek weer door de spleten en zag hoe mensen werden doodgeschoten. Bij één van de militairen ging het geweer niet af. Hij gebruikte de kolf van zijn geweer om de basya die voor hem stond ermee te slaan. De basya was gekleed in zijn uniform en is toch vermoord”, treurt Misidjan.
Gevlucht
Over de gebeurtenissen van Moiwana praat Misidjan niet graag. Hij staat op om een sigaret op te steken. “Mi weri keba fu taki abra Moiwana. Te now oplossing no e kon. Lanti ooktu no e tyari oplossing. Unu weri. Ala dey na a srefi sani”, roept hij gefrustreerd.
Hij trekt aan één van zijn broekspijpen en zet een ontbloot onderbeen op tafel, waar littekens van een schotwond te zien zijn. Tijdens de aanval van de militairen werd hij aan zijn onderbeen geraakt. De toen elfjarige Johan Sjonko hielp hem naar het bos vluchten.
Vanwege de verwonding kon Misidjan niet verder vluchten en werd hij bij een kostgrond achtergelaten. De volgende dag werd hij door enkele mannen van het Junglecommando gevonden. Zij brachten hem eerst naar Moengotapoe, daarna Patamacca, Langatabiki en uiteindelijk Stoelmanseiland. “Brunswijk heeft gezorgd dat mijn gewonde been goed werd verzorgd en liet me – toen het helemaal was genezen – van Stoelmanseiland naar Frans-Guyana overbrengen, waar ik nog steeds woon.”
Zijn familie dacht dat hij dood was. Pas na twee jaar kwamen ze erachter dat hij nog leeft. Misidjan verloor veel familieleden, onder wie zijn eigen moeder. Hij wordt boos bij het besef dat hij niet eens weet wat er met haar stoffelijk overschot is gebeurd. “Ik wil weten waar ze ligt. Ik wil een bloemetje voor haar kunnen brengen en mijn hart luchten”, zegt hij boos.