‘Ik zoek naar de botten van mijn moeder’
De bekende glooiende heuvels van Moengo kenmerken het landschap, wanneer het dorp Moiwana in zicht komt. De stilte en de bijna verlaten omgeving doen niet vermoeden dat dit dorp getuige is geweest van de meest gruwelijke massamoord die Suriname ooit heeft gekend. De Moiwana-moorden op 29 november 1986 hebben aan zeker 39 mannen, vrouwen en kinderen het leven gekost. Enkele overlevenden in Suriname en Frans-Guyana delen hun verhaal met de Ware Tijd.
Tekst Euritha Tjan A Way
Beeld Audry Wajwakana
Het is al lang geen rustige omgeving meer wanneer op 29 november 1986 ontploffingen klinken in Moiwana. “De mannen van het Junglecommando hielden zich op in Moengotapoe, dus iedereen was naar Moiwana gekomen om veilig te zijn. Daarom waren er vrijwel geen mannen hier”, zegt John Misidjan.
“Ze wilden de baby die ik bij mij had in de lucht gooien om die dood te schieten, maar ik heb het kind stevig vastgehouden. Ik gilde en smeekte mij niet te doden”
Mamaja
Hij steekt de ene sigaret na de andere op in de krutu-oso van het weder uit de grond gestampte dorp Moiwana en kan niet lang stil zitten. “Dat ding maakt me boos. Ai span mi ede als ik erover praat”, uit hij zijn frustratie.
In zijn betoog bereiken zijn frustraties een hoogtepunt wanneer blijkt dat hij niet weet waar de beenderen van zijn moeder begraven liggen. “Ik wil mijn moeder terug, ik wil weten waar ze ligt, waar is ze? Ik wil een bloemetje voor haar kunnen brengen”, klinkt het boos. Misidjan wordt door de andere aanwezigen gemaand rustig te zijn. “Sidon even kisi yu srefi”, zegt Johan Sjonko vermanend.
(lees verder onder de foto)

Vanuit Galibi
Op 29 november 1986 viel een legerpatrouille het dorp Moiwana binnen. De patrouille bereikte het dorp niet via de nu bekende weg die linea recta vanuit Commewijne naar Albina loopt. Er zijn dan ook al een aantal bruggen opgeblazen sedert op 21 juli 1986 mannen van Ronnie Brunswijk een aanval hebben gepleegd op de militaire post Stolkertsijver. Die aanval kenmerkt voor velen het begin van de Binnenlandse Oorlog.
Naar zeggen van Pater Antonius te Dorsthorst, in de volksmond pater Toon, in zijn boek ‘De tragiek van de Binnenlandse Oorlog’ zijn de mannen via Galibi, door de Wanekreek in het gebied aangekomen. In Galibi heeft zijn collega, pater Herman Holtzer die niet wist wat de opdracht van deze elite-eenheid was, nog voor de groep gebeden. Naar zeggen van enkele getuigen kwamen er ook militairen uit helikopters net vóór en tijdens het schieten.
In de aanloop naar november worden verschillende aanvallen gepleegd, soms vanuit het Nationaal Leger, dan weer vanuit de mannen van Brunswijk. Bruggen worden kapotgeschoten en er komen grote kraters in de weg naar Albina. In Papatam, Moengotapoe en andere dorpen zoekt het leger naarstig naar de mannen van Brunswijk.
Op 24 augustus wordt in Morakondre een peuter van drie jaar doodgeschoten op de arm bij zijn moeder. Het leger was op zoek naar Brunswijk en had het dorp omsingeld en geschoten op een verdacht geluid in een huis. De peuter verstijfde in zijn moeders armen en was op slag dood. Morakondre is het dorp van Brunswijks moeder, maar volgens ingewijden was hij in die periode in Moengotapoe, zijn geboortedorp.
Achtergrond Brunswijk
Brunswijk, die in het leger lijfwacht was van Desi Bouterse, is afkomstig uit het dorp Moengotapoe. Hij doet diverse opleidingen in het leger, maar in 1984 wordt hij er, als disciplinaire maatregel, uitgezet. Het binnenland is al sinds de slavernij een gebied geweest dat weinig aandacht kreeg van de centrale overheid.
Vóór en tijdens de marronage werden namelijk vredesverdragen gesloten met de marrons en inheemsen waarbij de voorwaarde was dat zij in hun eigen gebied bleven wonen. De gemeenschappen waren op zichzelf aangewezen. Dat maakte dat de situatie in dorpen als Moiwana vele malen erger was dan in Paramaribo, waar in de jaren na de coup van 1980, de situatie al precair, was.
In verschillende boeken over de Binnenlandse Oorlog en Moiwana staat dat de binnenlandbewoners zich ook gediscrimineerd voelden door het leger. Ook de eerste aanvallen van het georganiseerde verzet krijgen aanvankelijk weinig aandacht. André Mozes schrijft in een artikel in de Ware Tijd van 5 maart 2021 dat Bouterse over Brunswijk zegt: ‘Laat dit kortetermijnding maar aan het leger over. Die jongen heeft wel P.K., maar geen IQ.”
De verwaarlozing van het gebied, de economisch slechte tijden en de discriminatie maken vruchtbare grond voor een ‘Brunswijk’, die in die periode wordt beschuldigd van bankovervallen. De huidige president Chandrikapersad Santokhi, die toen nog commissaris van politie was, liet een opsporings- en aanhoudingsbevel uitvaardigen voor Brunswijk. Echter, zijn omgeving in Marowijne, ziet in hem de redder voor het gebied: de buit van de overvallen wordt namelijk gedeeld met zij die niet hebben.
(lees verder onder de foto)

Rebellenleider
En toch wordt Brunswijk niet ‘vanzelf’ rebellenleider. In juni 1986 brengt hij op uitnodiging van André Haakmat een bezoek aan Nederland. Haakmat was eerst medestander van Bouterse, onder meer als minister van Justitie, maar ontvluchtte in november 1982 het land omdat hij in ongenade was gevallen bij de legerleiding.
Wat werd besproken tussen Haakmat, Brunswijk en de verschillende bewegingen die zich in Nederland tegen Bouterse verzetten, is niet duidelijk. Wel wordt de strijd in het oosten tegen het Nationaal Leger plotseling vele malen heviger wanneer Brunswijk terug is. In juli 1986 wordt het Nationaal Surinaams Bevrijdingsleger, dat later bekend werd als het Junglecommando, opgericht.
Veel jongeren uit het gebied sluiten zich aan bij de groep van Brunswijk. Geboren en getogen Moengonees,Tressna Pinas die ook moest vluchten naar Frans-Guyana vanwege de gevechten, zegt in gesprek met de krant dat ze een schoolmakker tegenkwam. “Ik was 13, toen ik moest vluchten. Ik zat toen nog op school; de eerste klas Mulo. Er kwam een jongen naar mij toe met zijn gezicht vol zwarte strepen. ‘Herken je me niet?’ vroeg hij. Ik vroeg hem om eerst al die zwarte strepen weg te halen. Toen pas herkende ik hem. We zaten samen op school. Ik vroeg aan hem: ‘wat doe je hier? Waarom doe je mee?’ Hij haalde zijn schouders op en zei: ‘Na a libi tan soh’. Ik heb hem na die dagen nooit meer gezien”, illustreert Pinas het enorme verlies aan jonge mensenlevens in die periode.
(lees verder onder de foto)

Er is ook een grote groep mensen die het Junglecommando is gaan ondersteunen na de gebeurtenissen in Moiwana. Dat zegt Gerry Adam tegen de krant. Hij heeft een bril op en praat heel rustig. “Ik was niet in Moiwana die dag. Maar ik heb al mijn familie verloren. Ik heb toen besloten om het Junglecommando te gaan ondersteunen. Ik kon niet anders, ik had gewoon nergens om naartoe te gaan.” Volgens hem is hij niet de enige. “Veel mensen hebben direct en indirect veel verloren bij de moorden in Moiwana.”
Misidjan vertelt wat zich heeft afgespeeld op 29 november 1986. “Plotseling rond een uur of één in de middag zagen we zoveel militairen; ze waren overal. Ik keek via een gat in het kamp naar buiten nadat de basya ons had gezegd om naar binnen te gaan. Ik zag dat hij gekleed was in zijn uniform als basya. Toch hebben ze hem vermoord.”
Angst aanwezig
Niet iedereen wil bij naam worden genoemd of op de foto. Trauma is duidelijk aan de oppervlakte, maar ook een zekere angst is nog latent aanwezig bij enkele mensen. Getuige L.P. bijvoorbeeld doet haar verhaal anoniem. Evenals Mamaja wil ze niet op de foto.
De verhalen zijn identiek, maar allemaal hebben ze een eigen hoog gehalte van gruwelijkheid in zich. Mamaja wil er eigenlijk helemaal niet over praten. De krant spreekt haar in het voormalige vluchtelingenkamp Charvein in Mana. Ze heeft een pangi om en kijkt naar haar spelende kleinkinderen. Haar lichaamstaal spreekt boekdelen: hier praat ze liever niet over. “Als ik hierover praat, is mijn hoofd helemaal gespannen. Ik kan daarom niet makkelijk naar Suriname gaan. Ik ga misschien een dag dan kom ik terug, mi no man”, klinkt het emotioneel.
(lees verder onder de foto)

Mamaja: “Ze hebben één van mijn kinderen vermoord waar ik bij stond. Ze wilden de baby die ik bij mij had in de lucht gooien om die dood te schieten, maar ik heb het kind stevig vastgehouden. Ik gilde en smeekte om mij niet te doden. De militair schoot mij in mijn voet en riep: ‘busi!’ Ik kroop weg met mijn kind, ik kon niet rennen want er was in mijn voet geschoten”, klinkt het terwijl ze beurtelings op de ene dan weer op de andere voet balanceert. Mamaja zag kans te vluchten naar Moengo waar ze door familie werd gebracht naar Frans-Guyana. “In het ziekenhuis in Frans-Guyana hebben ze de kogel uit mijn voet gehaald.”
Zuster Gerda
Terwijl er werd geschoten op de bewoners en hun kinderen, konden enkelen het bos in vluchten. Na dagen van lopen bereikten enkele van hen de oever. Maar ook daar werden ze opgewacht door leden van het leger. “We kwamen aan bij de rivier, maar werden gewaarschuwd door anderen die al daar waren dat het leger op de rivier patrouilleerde”, vertelt één van de getuigen. Een deel van de groep slaagt er toch in de oversteek te doen.
Daar melden de mensen zich aan bij zuster Gerda van Doorn. Zij is van de Franciscanessen Missionarissen van Maria en is al tien jaar vóór het uitbreken van de Binnenlandse Oorlog actief in het Marowijnegebied voor het Zeister Zendingsgenootschap. Zij deed de oversteek naar Frans-Guyana nog vóór de Moiwana-slachting. Haar onderkomen in Albina was toen al kapotgeschoten.
“Ik heb al mijn familie verloren. Ik heb toen besloten om het Junglecommando te gaan ondersteunen. Ik kon niet anders, ik had gewoon nergens om naartoe te gaan”
Gerry Adam
Een deel van de gewonden wordt na de beschieting geholpen door leden van het Junglecommando die na de beschieting kennelijk poolshoogte zijn komen nemen. Een aantal lijken ligt te ontbinden in de felle zon en worden onder anderen door Leo Betterson gebracht naar het mortuarium in Moengo. Er liggen al lijken daar te verrotten en uit onmacht wordt het mortuarium in brand gestoken. Wie dat heeft gedaan is niet duidelijk.
Er breekt een enorme strijd los tussen het Junglecommando en het Nationaal Leger na dit gebeuren. De moorden en in het verlengde daarvan de Binnenlandse Oorlog hebben het oosten van Suriname en het westen van Frans-Guyana voorgoed veranderd. Een bewoonster van Moengo die de krant sprak, begint spontaan te huilen bij het uitspreken van de woorden ‘Binnenlandse Oorlog’.Haar tranen zijn de stille getuigen van een onverwerkt, pijnlijk verleden.
Namen van vermoorde dorpelingen in Moiwana 29 november 1986
1. Celita Ajintoena
2. Cherita Ajintoena
3. Eric ‘Manpi’ Ajintoena
4. Iwan Ajintoena
5. Kathleen Ajintoena
6. Magdalena Ajintoena
7. Olga Ajintoena
8. Patrick Ajintoena
9. Sonny Waldo Ajintoena
10. Stefano Ajintoena
11. Albert Apinsa
12. Alice Yvonne Apinsa
13. Jenifer Asaiti
14. Margo Asaiti
15. Jurgen Asaiti
16. Elisabeth Asaiti of Asaitie
17. Johan Benjamin
18. Josephine Bron
19. Ma-betoe Bron
20. Steven Bron
21. Dennis Difijon
22. Cequita of Chequita Dogodoe
23. Ciska Dogodoe
24. Patricia Dogodoe
25. Theresa Dogodoe
26. Irene Kodjo
27. Jurmain Kodjo
28. Marilva of Marilwa Kodjo
29. Romeo Kodjo
30. Rinia Majkel
31. Babaja Mijnals
32. Bestie Misidjan
33. Difienjo of Dfindo Misidjan
34. Iries Misidjan
35. Judith Misidjan
36. Mado Misidjan
37. Ottolina Misidjan
38. Sajobegi Misidjan
39. Sylvano Misidjan
Bron: ‘De tragiek van de Binnenlandse Oorlog’ Pater Toon