BESCHOUWING — Herijking buitenlandbeleid Suriname

Minister-president Henck Arron (NPS) en de Nederlandse PvdA-premier Joop den Uyl (l) tekenen het Onafhankelijkheidsverdrag. Suriname werd tijdens de regering-Arron op 25 november 1975 onafhankelijk.
Shoeket logo

Bron: De Ware Tijd

28 November 2023 20:25

Voor mij lezen

Tekst Rudie Alihusain

Beeld dWT archief

Na 1980 werd het verkrijgen van deze gelden een belangrijk thema van de Surinaamse buitenlandse politiek. Arron had in de eerste jaren alle tijd om Suriname lid te maken van belangrijke internationale en regionale organisaties, zoals de Verenigde Naties (VN), de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) en de Beweging van Niet-Gebonden Landen (NAM).

“Elk land, ook Suriname, moet zich ervan bewust zijn dat zijn buitenlandbeleid op een bepaald moment zijn houdbaarheidsdatum heeft overschreden en dat verandering moet plaatsvinden”

Het probleem voor hem lag meer in de personele sfeer, met name de bemensing door deskundigen van buitenlandbeleid, zowel op het hoofdkantoor als de buitenlandse dienst. Wat betreft de buitenlandse dienst had de premier dit probleem deels opgevangen door het aantrekken en de overkomst van enkele personen van Surinaamse origine, die lang vóór de onafhankelijkheid, veelal op verzoek van Suriname, waren opgenomen in de diplomatieke dienst van het Koninkrijk der Nederlanden. In dit verband mogen worden genoemd Robert Ferriër, Henk Heidweiller, Humphrey Lamur, Inderdew Sewradjsing en Raoul Karamat.

Voorbereiding op diplomatieke functie

In het kader van de voorbereiding van de onafhankelijkheid hadden deskundigen Arron erop gewezen dat de “werving van ambtenaren voor de diplomatieke dienst met grote zorgvuldigheid en op basis van objectieve criteria diende te geschieden, zulks omdat zij de belangen van het land op deskundige wijze moeten behartigen en tegelijkertijd zijn zij het visitekaartje van het land”. Arron had deze adviezen ter harte genomen en gaf een commissie de opdracht om op basis van strenge criteria kandidaten te selecteren voor de op te zetten diplomatieke dienst voor Suriname.

De commissie bestond uit de president van het Hof van Justitie, Olivier van der Geld (voorzitter), procureur-generaal Maurits de Miranda, rechter Ludwig Waaldijk en directeur Henk Heidweiller van het bureau Buitenlandse Betrekkingen. Het was volgens berichten uit die tijd “moeilijk voorstelbaar een commissie van een andere samenstelling te vormen die grotere of zelfs vergelijkbare waarborgen zou bieden voor de selectie van ambtenaren voor de buitenlandse dienst, uitsluitend op basis van objectieve normen”.

Arron had met deze samenstelling van de commissie een duidelijk signaal willen geven aan politiek Suriname “dat men niet licht de leden zou durven benaderen met onbehoorlijke verzoeken en zo men dit toch zou wagen, zouden ze er immuun tegen zijn”. Zo verkreeg de jonge republiek Suriname zijn eerste, goed gewogen en gescreende groep van zestien personen die gedurende enkele maanden in Den Haag een theoretische en praktische vorming kregen, voordat ze in diverse diplomatieke rangen op de nieuw opgezette buitenposten werden geplaatst.

Tekort aan kader

Echter, het gebrek aan deskundig kader speelde bijna op alle ministeries. Dat is ook één van de redenen geweest dat in 1979 voor ruim 26 hoge ambtenaren de opleiding Multilateral Diplomacy in Paramaribo werd georganiseerd. Toch bleef een tekort aan deskundig personeel in het bijzonder op het ministerie van Buitenlandse Zaken (Buza) door de jaren heen bestaan.

Enkele ministers, onder wie Harvey Naarendorp (1981), Eric Tjon Kie Sim (1986), Subhas Mungra (1993) Lygia Kraag-Keteldijk (2006) en Winston Lackin (2012), hebben tijdens hun bestuursperiode diplomatenopleidingen in Paramaribo georganiseerd met het specifieke doel een bestand te creëren van goed opgeleide diplomaten die zowel op het hoofdkantoor als op de buitenposten konden worden ingezet.

De opleidingen in Paramaribo werden in samenwerking gedaan met de Universiteit van de West Indies, het Braziliaanse Rio Branco Instituut en de United Nations Institute for Training and Research (Unitar). Ook vertrokken enkele geselecteerden naar het buitenland voor diplomatieke trainingen en opleidingen, onder meer in Colombia, Peru en India. Tijdens de opleiding van 2006 hebben docenten en minister de kandidaten aangeraden om ook tijdens hun detachering zich verder te verdiepen in de diplomatie.

Matrozen die aan wal blijven

Opmerkelijk is dat het volgen van één of meer diplomatenopleidingen geen garantie is om in dienst te treden bij Buza. Van de naar schatting tweehonderd mannen en vrouwen die een diplomatenopleiding hebben gevolgd, werden de meesten vanwege politieke redenen niet ingezet. Oud-ambassadeur Ferdinand van Dijk betitelde deze groep als ‘opgeleide matrozen die aan land blijven’.

Ondanks de wet op de Buitenlandse Dienst van 2018 bleven president Chandrikapersad Santokhi en minister Albert Ramdin van Buitenlandse Zaken, International Business en Internationale Samenwerking (Bibis) de voorkeur geven aan hun vrienden, familie en andere pajongwaaiers die bijna allen tot amateurs mogen worden gerekend.

President Chandrikapersad Santokhi en zijn minister van Bibis, Albert Ramdin.

De term ‘amateur’ wordt hier gebruikt voor personen die vanuit een ander beroep de diplomatieke wereld binnenstappen, ook geen enkele affiniteit hebben met de diplomatie en in het algemeen ook niet van plan zijn de diplomatie als hun beroep en carrière te kiezen. Dit in tegenstelling tot personen die de diplomatie tot hun beroep en enige carrière hebben gemaakt en professionals mogen worden genoemd.

Onze presidenten en ministers van Buitenlandse Zaken hebben in de afgelopen jaren vanuit een zeer eng en kortzichtig partijpolitiek belang niet willen accepteren dat in landsbelang de professionele carrière diplomaat altijd de voorkeur moet krijgen boven de amateur. Het is onwil van onze politici dat bij het benoemen van personen op basis van politieke standaarden wordt voorbijgegaan aan het aspect dat het imago van het land wordt bezoedeld met als consequentie dat de landsbelangen meer worden gehinderd dan geholpen.

Ambassadeursconferenties

Vier jaar na de onafhankelijkheid organiseerde Arron als premier en minister van Buza de eerste ambassadeursconferentie in Paramaribo. Volgens hem bood zo een conferentie de mogelijkheid voor een overlegmoment tussen het hoofdkantoor en de buitenposten voor evaluatie van het gevoerde buitenlandbeleid, dat waar nodig kan worden gecorrigeerd of bijgesteld. Er zijn voor zover bekend in 1981, 1982, 1983, 1986, 1998, 1999 en 2012 ambassadeursconferenties in Paramaribo geweest.

Arron in 1979 en ook Naarendorp in 1981 benadrukten dat de wereld nooit stationair is. De krantenknoppen bewijzen iedere ochtend dat de wereld zich in een intens onrustige periode bevindt. Oplopende politieke spanningen, economische volatiliteit, machtsverschuivingen en geopolitieke verschuivingen dragen bij aan een continue wereldwijde instabiliteit.

Het is niet duidelijk wanneer zo een overlegmoment voor het laatst in Paramaribo door Buza is uitgevoerd. Er is waarschijnlijk in de afgelopen tien jaar geen geweest, terwijl fundamentele regionale en mondiale veranderingen plaatsvinden en hebben plaatsgevonden.

Evaluatie en overlegmomenten betekenen niet per se een verandering van het buitenlandbeleid. Het betekent “het aanpassen van het beleid aan veranderingen en het hervormen van de strategie van het land om zijn doelen effectiever na te streven. Het biedt ook de mogelijkheid om een strategie te ontwikkelen die de doelstellingen van het land afstemt op zijn diplomatieke middelen”.

Overschrijden houdbaarheidsdatum

Elk land, ook Suriname, moet zich ervan bewust zijn dat ‘zijn buitenlandbeleid op een bepaald moment zijn houdbaarheidsdatum heeft overschreden en dat verandering moet plaatsvinden’. Over enkele maanden zijn er verkiezingen in Suriname en met het zicht op ontwikkelingen in de oliesector zal de volgende regering een reeks belangrijke kwesties op het gebied van het buitenlandbeleid moeten behandelen.

Realistisch gezien zijn het buitenland- en het binnenlandbeleid onlosmakelijk met elkaar verbonden. Geen eenduidigheid in het binnenlandbeleid betekent veelal ook geen eenduidigheid in het buitenlandbeleid. Het binnenlandbeleid van opeenvolgende Surinaamse regeringen heeft het land afhankelijk gemaakt van externe machten. Dit heeft Suriname zwak en kwetsbaar gemaakt.

“Onze presidenten en ministers van Buitenlandse Zaken hebben in de afgelopen jaren vanuit een zeer eng en kortzichtig partijpolitiek belang niet willen accepteren dat in landsbelang de professionele carrière diplomaat altijd de voorkeur moet krijgen boven de amateur”

Het buitenlandbeleid is vaak ook niet gemaakt met het oog op het nationale belang, maar meer uit de prioriteiten van leiders en hun politieke partijen en het consolideren van politieke macht. Dit is een trieste gewaarwording, want Suriname heeft goede diplomaten gehad, maar diplomaten maken geen beleid, dat doet de politieke leiding.

Alom worden nu uitspraken gedaan dat na de miljarden oliedollars die het land straks zullen binnenstromen een nieuwe bestuurscultuur nodig zal zijn, zodat iedere Surinamer kan delen in de rijkdom die komen zal. Zal er ook een verandering zijn in de soort diplomaten die Suriname zal hebben? Zal de rekrutering anders zijn dan tot nog toe? Zullen de president en de minister van Bibis, het meest reislustige regeringskoppel dat wij tot nog toe hebben gehad, de wereld blijven afstruinen met de begging bowl (= bedelaarsschaal) zoals het in India wordt genoemd.

Donordiplomatie

In 2003 stond in de kranten in India dat het land vol trots de ommekeer had gemaakt van ontvanger van hulp naar gever van hulp. De Times of India vroeg zich in een redactioneel artikel af hoe het land van altijd schaarste nu zou omgaan met overvloed. Volgens de toenmalige minister van Financiën, Jaswant Singh, zal India nu niet meer met een begging bowl de wereld rondgaan, maar maakt het nu juist plannen voor kwijtschelding van schulden aan de armste landen.

De krant schreef ook dat voor India de tijd was aangebroken voor bestuur en diplomatie met “new mindsets to deal with the new realities”, omdat India vanaf dat moment ook kon spreken van Donor Diplomacy (Times of India van 5 juni 2003).

Hoe verder Suriname?

Zal conformisme de leidraad blijven om onze diplomatieke dienst te bemensen. Zullen onze politici de osaekomi waza (houdgreep) waarin zij Buza vasthouden, doorgaan met hun patronage benoemingen en volharden in hun onjuistheden en ongerechtigheden bij het benoemen van vrienden, familie en andere sycofanten ofwel mensen die hun meerderen overladen met vleiende woordjes in de diplomatieke dienst. Of zal onze republiek vernieuwen met een modern, geïnspireerd aangestuurde diplomatiek apparaat dat zich bedient van professioneel kader, goed opgeleid en ervaren in diplomatie op wereldniveau.

Bekijkt origineel bericht ⇒

Meer actueel