Het EMSAGS Project richt zich op verduurzamen van de kleinschalige goudsector door het stimuleren van een kwikvrije, milieuverantwoorde mijnbouwtechnologie. Maar minstens zo belangrijk is dat duurzame alternatieve inkomstenbronnen worden gecreëerd, als vervanging voor kleinschalige goudwinning, de grootste veroorzaker van ontbossing in Suriname. In dit kader is de ‘Gembertraining voor landbouwers in Brokopondo’ gehouden. De belangstelling was groot. “Wij willen Brokopondo echt wel maken tot een landbouwdistrict.”

VICTORIA — “Hoeveel gember haal je uit een plantje?” vraagt trainer Soemiran Sastrokromo bij aanvang aan de ongeveer twintig aanwezige landbouwers – vrouwen en mannen – in de open vergaderzaal van het dorp Victoria te district Brokopondo. Er worden schattingen gemaakt van tussen 500 en 700 gram gember per plantje. Als Sastrokromo onthult dat zelfs een kilo eruit gehaald kan worden, “mits goed gesnoeid”, heeft hij de volledige aandacht bij het voordoen.
De meeste deelnemers hebben al ervaring met telen van gember, maar doen mee omdat zij met moderne verbouwtechnieken een veel hogere oogstproductie kunnen halen. Tot verrassing van velen blijkt dat gember niet de grond ingroeit, maar juist omhoog op zo ‘losjes en luchtig’ mogelijke ondergrond. Niet aanstampen maar lichtjes aandrukken, zoals hij later onder de felle zon zal demonstreren. En met de juiste snoeitechniek kan de groeiende gember omhoog ‘klimmen’. Sastrokromo toont als bewijs geoogste gember die hij heeft meegenomen naast plantmateriaal in zaaibakjes.
“Planten is hét goud voor Suriname. Zolang er mensen zijn, is planten noodzakelijker dan goud”
‘Effectief planten’
“In deze tijd moet je effectief planten”, houdt hij zijn gehoor voor. De lokale telers volgen de ‘Gembertraining voor landbouwers in Brokopondo’. Die wordt gegeven in het kader van het project “Improving Environmental Management in the Mining Sector of Suriname, with Emphasis on Artisanal and Small-Scale Gold Mining”. Kortweg het EMSAGS Project, met als doel: ‘verbetering van het milieumanagement van de kleinschalige goudmijnbouw’.

Het EMSAGS Project richt zich op verduurzamen van de kleinschalige goudsector door het stimuleren van een kwikvrije, milieuverantwoorde mijnbouwtechnologie. ‘Kleinschalige goudwinning’ is de grootste veroorzaker van ontbossing in Suriname en milieuvervuiling van leefgebieden. Maar minstens zo belangrijk is dat andere (alternatieve) duurzame inkomstenbronnen worden gecreëerd voor lokale bewoners, zodat hun economische afhankelijkheid van de kleinschalige goudwinning afneemt.
De gembertraining is binnen EMSAGS het eerste project voor het stimuleren van lokale initiatieven voor duurzame bestaansmogelijkheden. “Belangrijk bij deze training is het uitgezette natraject, waarbij wij de boeren zullen blijven begeleiden tijdens een bepaalde periode”, zegt Sandra Bihari, Projectcoördinator van EMSAGS. “Er zijn terugkomdagen gepland waarbij de trainer beschikbaar is voor vragen van de boeren.”
In Marowijne is met ondersteuning van het ministerie van Regionale Ontwikkeling en Sport (ROS) een verwerkingsinstallatie opgezet voor gember. In de planning is ook kennisuitwisseling tussen gembertelers van Brokopondo en Marowijne. “Deze regionale uitwisseling van ervaringen zal uitwijzen of een verwerkingsinstallatie ook voor Brokopondo een mogelijkheid is”, zegt Bihari. Het blijft niet bij gember alleen. Voor 2024 is eveneens in de planning het trainen van boeren in verbeterde teelttechnieken voor andere gewassen.
Overstijgen zelfvoorziening
Vanwege de lucratieve goudopbrengsten is het belangrijk dat landbouw op dusdanige commerciële schaal gebeurt, waardoor het niveau van ‘zelfvoorzienend’ wordt overstegen. Daarom wordt deze gembertraining verzorgd aan telers in Brokopondo in samenwerking met het ministerie van ROS. Sastrokromo is aangetrokken als trainer vanwege zijn decennialange ervaring en deskundigheid in ‘vermeerderingstechnieken’ als het gaat om plantmateriaal en andere onderdelen van gemberteelt.
Met ‘goed snoeien’ alleen kom je er niet. “Wat is infrastructuur?” werpt hij als volgende vraag op. “Dat is het belangrijkste, anders zal de grond nooit vruchtbaar zijn. Westerlingen planten hierdoor honderden jaren op één plek. Regen kan vallen wat het wil, maar je grond wordt niet drassig of het droogt niet uit bij extreme droogte.”
Met een goed aangelegde infrastructuur, de ‘sleutel tot planten’, kun je overgaan tot ‘waterbeheersing’, het tweede belangrijkste bij grootschalige landbouw. Zeker in deze tijd van klimaatverandering. “Je kan niet meer rekenen op het ritme van het weer; je gaat alleen maar verliezen”, zegt Sastrokromo over de ‘onvoorspelbare’ droge en regentijden als gevolg van klimaatverandering.
Vooruitspelend op extreme regenval is het belangrijk dat een ‘ringdam mét afvoersysteem’ wordt aangelegd, zodat geen overtollig water op het areaal blijft liggen. Bij aanplant van 1 hectare wordt aanbevolen een ringdam van 1,5 meter diep en 2 tot 3 meter breed. Het daarin opgevangen overtollige ‘spaarwater’ komt later weer goed van pas bij droge(re) tijden. De ‘goten’ tussen de gemberbeddingen moeten tussen de 80 en 100 centimeter zijn. Niet veel breder anders ontstaat daar ongewenst spaarwater. “Gember kan slecht tegen veel water maar ook tegen te weinig water”, benadrukt Sastrokromo ten overvloede.
Aan de reacties en vragen valt op te maken dat hij een pijnpunt aankaart. Menigeen heeft te maken met regelmatig mislukte oogsten door overtollig water of te droge bodem. Ook heel belangrijk is ‘voeding van de bodem’. Daarvoor ben je als teler ‘totaal niet’ afhankelijk van dure kunstmest. “Bovendien is kunstmest niet duurzaam, want in de toekomst groeit daarna niets meer”, waarschuwt Sastrokromo. Van gedroogd gras, aangesterkt met kippenmest, kan zelf ‘vruchtbare compost’ worden gemaakt.
In dit verlengde leent een ringdam zich voor ‘gemengde landbouw’. Zo zou je tilapia kunnen kweken in het spaarwater en de gemberaanplant bemesten met de vissenuitwerpselen. Bij het aanhoren van de enthousiaste reacties op deze wetenswaardigheden, moedigt Sastrokromo de telers aan: “Planten is hét goud voor Suriname. Zolang er mensen zijn, is planten noodzakelijker dan goud.”

Maken tot ‘landbouwdistrict’
Bonanza Agro Industries, gevestigd in Victoria, is de trekker van landbouw (groenten en fruit) in district Brokopondo, met onder meer een verwerkingsinstallatie in Paramaribo. Als er trainingen zijn, dan mobiliseert Bonanza deelnemers via verschillende lokale organisaties en stichtingen waarmee zij samenwerkt. Bij deze gembertraining gaat het om coöperatie ‘Fiti maw kon na wan’ (handen ineen slaan), van zo’n veertig lokale voornamelijk vrouwelijke telers uit tien omliggende dorpen.
Per dorp zijn twee deelnemers geselecteerd, die op hun beurt als ‘trainers’ in hun dorp de opgedane nieuwe kennis moeten overdragen. “Het was leerrijk voor mij”, vertelt Daniëlla Adoivie van het dorp Asigron na afloop. “Al kan je al planten, je moet altijd nieuwe kennis opdoen, dan gaat het nog veel beter. Met je eigen denken en methode lukt dat niet.” Haar laatste gemberoogst mislukte omdat haar infrastructuur niet op orde is, trekt ze wijzer geworden als conclusie.
“Ik ga nu plantjes aanmaken en als ik een machine kan vinden om de infrastructuur in orde te maken, dan kan ik door.” Voorheen was Adoivie marktverkoopster. “Maar toen ik hier kwam en zag hoe de vrouwen van hier actief en krachtig zijn, ben ik ook gaan landbouwen. Ik droom altijd groot. Ik zet de markt even aan de kant om te kijken wat landbouw oplevert.”
En dat is heel wat, als het ligt aan het streven van coöperatie Fiti Maw kon a wan. “Wij willen Brokopondo echt wel maken tot een landbouwdistrict”, zegt voorzitter Dionne Diko. Zij is zeer te spreken over de ‘toegevoegde waarde’ van de training. “Zelfs ik die trainingen geef, heb weer iets bijgeleerd vandaag.” Maar naast nieuwe kennis is ‘faciliterende ondersteuning’ van de overheid even hard nodig voor het op gang brengen van grootschalige landbouw, benadrukt Diko.
“Als je vijf hectare gember wil planten, dan kan je dat niet met een tjap doen. Je hebt een graafmachine en een tractor met ploeger nodig”, illustreert zij de beperkingen en obstakels. “En vaak genoeg als we projecten schrijven en indienen, krijgen we te horen dat we titel op de grond moeten hebben. Er zijn heel wat beschikkingen van ons bij GBB die nooit zijn getekend.”
Districtseconomie diversifiëren
In haar streven kan Fiti Maw kon a wan rekenen op de ondersteuning van districtscommissaris Ludwig Mendelzoon van Brokopondo, die ook de training bijwoonde. “We kunnen niet blijven deelnemen aan de kleinschalige mijnbouw en houtkap, waarbij we onze eigen leefomgeving vervuilen en de bomen vellen. Dat is geen goede zaak”, zegt hij. “Er zijn andere mogelijkheden voor Brokopondo om te verdienen, we moeten de economie in het district gaan diversifiëren. Deze trainingsmogelijkheid moet daarom met beide handen worden aangegrepen.”
Mendelzoon vertelt dat toerisme en landbouw als ‘duurzame sectoren’ worden ondersteund door het ministerie van ROS, waaronder het districtscommissariaat valt. Deze twee sectoren bieden namelijk voldoende alternatieve economische mogelijkheden en kansen om kleinschalige goudwinning terug te dringen.
Deze doelstelling is tegelijk een noodzakelijke voorwaarde, waarbij haast geboden is. “Als je gaat planten moet je schoon gezond water hebben”, benadrukt de districtscommissaris. “Ook als je aan toerisme doet, geldt dat het oppervlaktewater schoon blijft. Daarom vind ik dit project belangrijk. En zeker om aan landbouw te doen moet mogelijkheid bestaan dat elke landbouwer een stukje grond toegewezen krijgt. We werken eraan.”
De telers hebben nu gezien dat dit een moderne manier van planten is. Zo worden ze ondersteund het zelfvoorzienende te overstijgen, zodat zij ook commercieel eraan gaan verdienen”
Inspelen op behoefte
Binnen het EMSAGS Project zal samen met de kleinschalige goudmijnbouwers een alternatieve technologie zonder kwikgebruik worden bepaald. Zij mogen aangeven welke technologie het beste bij hun aanpak past. Het wordt niet opgelegd. Zo ook speelt de gembertraining gericht op een reeds bestaande zelfredzaamheid van lokale telers.
Gezien de landbouwbedrijvigheid te Brokopondo zijn zij al voortvarend bezig, ondanks de beperkingen en obstakels. “Daarom past dit binnen onze doelstelling”, zegt Carmen Elliott-Banai, engagementspecialist binnen het EMSAGS Project, over de gembertraining. “Ze doen het al en empoweren ze op basis van hun behoefte. De telers hebben nu gezien dat dit een moderne manier van planten is. Zo worden ze ondersteund het zelfvoorzienende te overstijgen, zodat zij ook commercieel eraan gaan verdienen.”
Maar altijd op basis van duurzaamheid. Daarom gaat het hier om een ‘GAP’-training (good agriculture practices). Deze ‘goede landbouwpraktijken’ gebeuren volgens normen voor de veilige en duurzame productie van gewassen en vee. De vier pijlers daarbij zijn economische levensvatbaarheid, sociale aanvaardbaarheid, voedselveiligheid en kwaliteit. De training komt ook tegemoet in de behoefte aan meer kennis over landbouw gekoppeld aan klimaatverandering. “Je kunt niet op de oude manier door blijven gaan want het klimaat verandert. Je moet weten hoe je gaat planten en je past je aan”, zegt Elliott-Banai.
Ook August Amania is heel tevreden met de training. “Ik plantte al. Maar ik moet zaken bijstellen, want nu weet ik dat het ontbreekt aan de voeding die je het moet geven. Ik heb vandaag geleerd dat je een goot moet maken zodat je reservewater hebt voor de gember, want als de grond uitdroogt dan gaat het dood.” Amania vertelt dat de vraag naar gember ‘groot is’ en dat hij altijd zijn oogst kwijt kan. “Een telefoontje is voldoende.”
Met de opgedane nieuwe kennis wil hij gaan voor grootschalige verbouwing. Gaat dit goudzoekers kunnen overhalen naar landbouw over te stappen? “Als iemand ziet dat een ander een mooi huis heeft gebouwd en het komt van groenten planten en verkopen, dan wel. Dat beeld is er nog niet voor jongeren. Maar ze zullen het zeker overnemen als het goed overkomt.”

Dit artikel is aangeboden door de PMU van het EMSAGS Project